Els is dood (2): “Ik strijk over haar gezicht. Haar hoofd is ijskoud”

Als Femke haar vriendin Els verliest aan kanker, heeft ze geen zin om huilend en jammerend door het leven te gaan. In eerste instantie doet ze dat ook niet. Heel knap, vindt ze zelf. Ze neemt het goede van Els mee en laat het verdriet achter zich. Totdat de rouw explodeert in haar gezicht.

Deel 1 van de serie ‘Els is dood’ lees je hier.

Een paar maanden voor haar dood, vroeg Els me of ik wilde speechen op haar uitvaart. Ik vroeg haar of ik dan ook mocht zeggen dat ze af en toe echt een kutwijf was. We hebben namelijk nogal eens met de horens in elkaar gestaan, omdat zij tegen het plaatsen van een stuk op Saarmagazine.nl was en ik voor. En oh, wat werd ik gillend gek van haar als ze weer eens een artikel veel te laat inleverde, ook al beloofde ze elke keer beterschap. “Jaaa!”, gierde ze, op de voor haar kenmerkende manier, “moet je doen. Vertel alles! Ik vraag jou, omdat je altijd zo eerlijk bent.”

Het idee was aanvankelijk dat alle sprekers hun tekst voor het sterven zouden schrijven. Zodat Els het nog kon lezen. Ik vond het een mooi idee. Dacht er zelfs nog aan om het in te spreken en als voicebestand naar haar te sturen. Maar ik schoof het voor me uit. Dag na dag, week na week. Toen een van de organisatoren van de uitvaart me appte hoever ik was met mijn speech, besefte ik dat ik het niet kon: van tevoren iets schrijven over iemand die er niet meer is, als die er nog wel is. Alle ongeloof en onwil over Els’ dood lag erin besloten. Zolang het niet zo was, wilde ik er niet mee bezig zijn. Daarbij had ik geen idee wat ik moest gaan zeggen, welke woorden overeind zouden blijven. Ik stak mijn kop in het zand, maakte nog een podcast met Barbara en Els en sloot mijn ogen voor wat komen ging.

En nu is het dan zover. Ik zit, gehuld in Els’ trui, in mijn bed met mijn laptop voor me en de cursor knippert. Mijn hoofd is wattig, er ligt een waas over me, niks komt direct binnen. Ik zeg tegen mezelf: ‘ze is er niet meer, ze is dood, ze komt niet meer terug’ maar ik voel het niet. Ik begin te schrijven. De toespraak vloeit makkelijk uit mijn vingers en in mijn computer. Ik voel totaal niet meer de behoefte om ook te vertellen dat ze een kutwijf was. Ik stip het wel even aan, omdat ze er zo om moest lachen, maar verder wil ik het alleen maar hebben over haar grote indruk op mij, onze vriendschap, over wat ik van haar leerde en hoe ontzettend veel ik van haar hou.

Hield.

Samen met Barbara en Maike ga ik voor het laatst naar haar huis. De plek waar ze opgebaard ligt. Ik heb nog nooit de behoefte gehad om een dode te zien, maar nu moet het. Ik heb het haar ook gevraagd. “Mag ik je zien als je overleden bent? Ik heb dat nodig om echt tot me door te laten dringen dat het zo is.” “Dat snap ik hoor”, zei ze, “natuurlijk mag dat.” Ik kan nog steeds niet bij de dapperheid waarmee ze dit hele proces is aangegaan. Ze vond het zelf net zo raar als wij allemaal dat ze er straks niet meer zou zijn, maar toch was ze er rustig onder en kon ze het accepteren. Ik kon het niet accepteren. Ik kan het nog steeds niet accepteren. Ik heb het idee dat ik de hele dag hoofdschuddend door de straten loop.

Maar daar ligt ze. In haar oranje hermes kist met BRUIN randje (toen ik zei “ja, wel mooi met dat zwarte randje”, zei ze “dat is hermes-bruin, boerin!”). Ze is een pop geworden. Een hele grote pop. Alles klopt. Haar haren, haar gladde gezicht, ze is mooi opgemaakt, heeft haar pyjamaatje aan, precies zoals ze wilde. En toch. Ze is het niet. Ze was zoveel, zo luid, zo keihard en ook zo begripvol en lief. Dat was zij, Els Rozenbroek. Ik pak haar handen. Ze zijn koud. Alsof ze net van buiten komt. Ik warm ze op en langzaam komt er weer leven in. Zo lijkt het. Ik strijk over haar gezicht, zie dat er geen enkele haar in haar kin zit (haar grootste angst, dus goed geëpileerd gestorven) en schrik. Een hoofd is nooit zo koud. Ik aai over haar benen, ze zijn hard en stijf. Ik ben keihard bezig het binnen te laten komen. Ik praat tegen haar. “Je bent er echt niet meer, hè Els? Ik snap het niet. Waar ben je nu? Hoor je mij? Ik vind het zo moeilijk. Ik begrijp niet dat je er vorige week nog wel was en voluit praatte, dat je ons ‘lieve mongooltjes’ noemde, en dat je nu zo stil en ergens waar ik het niet ken, bent. Ben je uberhaupt ergens? Ik mis je nog niet eens echt, Els, want je voelt nog zo dichtbij. Maar kom je dan wel snel terug, want ik weet niet hoelang ik dit volhoud, hoor. Weet je wel hoe belangrijk je voor mij bent? Was. Nee, bent. Zeg nou even wat. Ik trek het niet hoor als ik die stem van je nooit meer hoor.”

Ha fijn, ik begin nu toch te brullen. Ik dacht al dat ik niet helemaal normaal was, maar ik jank. Eindelijk. Het liefst wil ik een bedje naast haar kist maken en de komende dagen deze kamer niet meer verlaten. Ik wil zijn waar het laatste tastbare Els-gevoel is. Bij haar lijk, in haar huis. Maar ik moet gaan. Verdoofd stap ik voor de laatste keer in haar lift. Ik wil naar Willem, haar hond. Willem leeft nog wel en is bij Els’ broer. Ik voel een grote behoefte om de hond te gaan knuffelen.

In de serie ‘Els is dood’ schrijft Femke over hoe ze omgaat met het verlies van haar vriendin Els. Volgende week vrijdagochtend om 8 uur lees je deel 3. 

Femke Sterken
Femke Sterken
Femke Sterken is een van de oprichters van SAAR. Nog geen vijftig, maar on her way. Ze houdt van roze koeken, cheese onionchips en zoveel mogelijk ‘leggen’ (als in liggen op de bank, in bed, en op een zonnebedje met een cocktail in de hand).