Eens een paardenmeisje, altijd een paardenmeisje? ‘Ik gaf mijn jeugddroom op’

-

Judith (51) zette na veertig jaar een punt achter haar jeugddroom. Maar niet helemaal. Oude liefde roest niet.

Hophop, heette de beer van mijn zus. Paardje van zijn achternaam. Ze had als peuter een vooruitziende blik, want in latere jaren op de basisschool werden we hopeloos paardengek, allebei. Onze paardenliefde bestond voornamelijk uit dromen. Onze ouders vonden paardrijden een rijke mensen-sport, het trok geen leuke mensen aan volgens mijn moeder. Na heel lang zeuren kregen we een tien rittenkaart voor een manege, daarna moest het maar weer afgelopen zijn. Naar echte spullen konden we fluiten, al hadden we op een gegeven moment wel samen een cap. Alle andere meisjes droegen echte rijbroeken en -laarzen, wij liepen in joggingbroeken en op regenlaarzen.

Paardrijden als kind

Wat was het eng op de manege. Er waren inderdaad bijzonder weinig leuke mensen, de meisjes die er rondhingen duwden je opzij, snauwden, wisten alles beter. Net als je dacht dat je een pony mocht borstelen, kwam er iemand zeggen dat dit haar verzorgpony was. Met een misprijzende blik op onze outfit werd de poetskist uit onze handen gegrist.

De paarden zelf vond ik ook eng, zij het verschrikkelijk lief – hun hoofden dan. Maar die grote lijven? Ze stonden in boxen en beten, of draaiden hun kont naar je toe alsof je ze wilden trappen, wanneer je ze moest zadelen of aansingelen. Eenmaal in de bak bovenop hun rug, bakte vooral ik er ook weinig van. Ik reed altijd op het verkeerde been licht, in galop aanspringen lukte zelden, een volte (een rondje) leek bij mij meer op een zwabberend ei. Het huilen stond me tijdens de paardrijles vaak nader dan het lachen, temeer omdat de instructrice altijd zo schreeuwde. ‘Geef hem een mep!’; ‘Jij bent de baas!’; ‘Harder, het is toch geen cavia!’

Ponyclub, posters en paardenboeken

En toch. Iets in mij zei dat het anders kon, en bleef dit hardnekkig geloven. Waar ik het vandaan had, weet ik niet. Misschien uit de boekjes van Yvonne Brill over Bianca en haar paardenvriendinnen, fortuinlijker types dan wij, die allemaal een eigen pony hadden waarmee ze vrijelijk door het bos struinden. Van Astrid Lindgren, dat zou ook kunnen, die in mijn lievelingsboeken-voor-altijd, De gebroeders Leeuwenhart en Ronja de Roversdochter, zonder zoet te doen van alles laat doorschemeren over de unieke band tussen haar hoofdpersonen en hun paarden. Uit het blad Ponyclub wellicht, waar we een abonnement op hadden. Of uit de talloze theorieboeken over paarden en paardrijden die ik verslond. 

Hoe dan ook, ik plakte de muur boven mijn bed steeds voller met paardenposters en spaarde een hele letterbak vol met porseleinen paardjes. 

Ik spaarde voor een hoevenkrabber en borstels van mijn zakgeld. Bij gebrek aan een echt paard parkeerde ik mijn zus in de hal of de schuur, borstelde haar zorgvuldig van top tot teen, longeerde haar terwijl zij om me heen fietste aan een lange lijn in de straat en gaf haar nadien een bak cornflakes of muesli, en een emmer water. Dat moest wel stiekem, want mijn moeder werd woedend elke keer als ze thuiskwam en mijn zus suffend in de hal aantrof, vastgezet met een halstertouw – wat we ook zeiden.

Ponykamp in Drenthe

Op ons tiende en elfde mochten we, hoera, op ponykamp in Drenthe. Met bevende knieën kwam ik eraan, wat stond me allemaal te wachten? Al gauw bleek ik in een paradijs beland. Er was een enorm weiland. En dat stond vol met paarden die eruitzagen als de paarden op mijn lievelingsposters: niet al te groot en wollig, met zeer vriendelijke hoofden. Ze kwamen uit zichzelf naar je toe en staken zelf hun hoofd in de halster: ze wilden graag met je op pad. Voor het eerst werd me duidelijk dat je een paard niet iets vreselijks aandeed door op hem te rijden, iets wat ik altijd wel dacht, ergens, maar toch niet durfde geloven.

Sindsdien werd ik en bleef ik IJslanderfan, zij het met een kleine omweg op de middelbare school via de jongensliefde. IJslanders worden over het algemeen op natuurlijke wijze gehouden, dus niet allemaal opgesloten eenzaam in een box, maar in een kudde en altijd buiten. Zoals het een paard betaamt. Alles wat de mens ‘stalondeugden’ noemt (kribbebijten, luchtzuigen, ‘vals’ doen) is gefrustreerd gedrag dat niet bij paarden hoort. Het is als de eindeloos heen en weer lopende leeuw in de dierentuin, of als een ijsbeer die aldoor zijn kop schudt of zijn eigen buik kaalplukt. Paarden zijn kuddedieren en vluchtdieren, en worden ongelukkig van in een hokje geparkeerd staan. Ik begreep dat al heel jong en instinctief, al dacht ik dus ook een tijd dat het aan mij lag dat ze zo deden.

Het heeft tot mijn veertigste geduurd, met kleine weinig succesvolle omweggetjes langs maneges (want nergens IJslanders te bekennen) en wat leskaarten, voor ik erachter kwam dat een Eigen Paard wel duur, maar niet onoverkomelijk duur was. Ik ontdekte dat er normale vrouwen (en een enkele man) in de buurt van mijn woonplaats bestonden die daadwerkelijk paarden hielden op mijn droomwijze. En wat voor paarden! IJslanders.

Een eigen paard

Ik overlegde met mijn man. ‘Als ik er maar nooit last van heb, vind ik het goed,’ zei hij (het duurde hierna nog een jaar of vijftien voor ik bedacht dat: ‘hè ja, ik kom dan lekker kijken als je paardrijdt, wat heerlijk als je hier zo gelukkig van wordt’, leuker zou zijn geweest).

En zo kocht ik een eigen IJslander. En daarna nog drie (niet tegelijk, ik had er steeds twee: een voor mezelf en een voor mijn dochters, wat een luxe! We reden altijd buiten). Tien jaar lang zorgde ik voor mijn IJslanders door weer en wind. Ze stonden bij een boer, meestal in een modderwei. Ik moest het land uitmesten, voeren, drenken. In de winter hakte ik wakken in de sloot. In de zomer hanneste ik met schaduwdoeken. Ik leerde palen slaan en draden trekken rondom het weiland. Ik kreeg hele grote gespierde bovenarmen van de zware kruiwagens die heen en weer moesten naar de mesthoop dagelijks. Ik regende geregeld tot op mijn onderbroek nat, sneeuwde in, raakte overdekt met drab, viel om met kruiwagen en al en belandde in de mesthoop. Het slokte tijd en geld en het bracht me allerlei nieuwe zorgen, die begonnen bij: wat zegt het weerbericht.

Maar wat een geluk. En wat een vervulling. De paarden keerden mijn binnenste buiten. En brachten buiten bij me binnen. Gewend als ik was om achter een laptop kromgebogen te zitten schrijven, kreeg ik nu een heel extra identiteit. Ik genoot met volle teugen van het aldoor buiten zijn. Ik werd bovendien verliefder en inniger verbonden met mijn merrie Loá dan ik ooit had durven dromen, of nee, ik droomde dat juist altijd al. En nu bestond het echt. 

Loá en Erill

Loá was speels, bazig, vlug in haar reacties en stevig ter been, net als ik, we spiegelden elkaar. Loá gaf me, en ik weet dat dit zepig klinkt, richting, letterlijk en figuurlijk. Wat heb ik van haar genoten, en zij van mij, want ze liep los achter me aan als een hond en we konden ook samen dollen, stoeien.

Loá en haar trouwe gabber Erill, die de liefste ruin van de wereld was en door en door betrouwbaar, zij het zonder het ‘IJslandse vuur’ dat dit soort paarden doorgaans kenmerkt, stonden tien jaar lang bovenaan mijn beste vrienden- én prioriteitenlijst.

Maar toen stierf mijn ruintje, van ouderdom. Op een dag vond ik hem plotseling dood op het land. Hij stierf een waardige paardendood. In het jaar daarna werden Loá en ikzelf keer op keer kreupel. We hadden beginnende artrose, in een of meer van onze zes knieën. Uiteindelijk wandelden we alleen nog samen, ik wilde haar niet langer belasten met mijn gewicht. Maar was dit het beste leven voor haar? Op een vrij kleine wei met twee vriendinnen, met – noodgedwongen – nog maar weinig te doen?

Paardenbejaardentehuis

Met heel veel moeite heb ik Loá uiteindelijk losgelaten, of althans: elders ondergebracht. Ze woont in een paardenbejaardentehuis in de kop van Noord-Holland, vrij in een grote kudde, op een enorm land met een inloopstal ter grootte van een kathedraal. Er is altijd gezelschap, frisse lucht, bewegingsvrijheid en goed hooi. Ze heeft het er beter dan bij mij en mag daar blijven tot haar dood. Loá is en blijft een van de grootste liefdes van mijn leven. 

En ik? Ik zit nu weer meer binnen, maar vergeet nooit de lessen van de paarden (ga lekker naar buiten) en de paarden zelf al helemaal niet. Nadat ik als kind over paarden droomde en las en schreef, eigen verhaaltjes, had ik als jongvolwassene the real stuff. En nu? Nu ben ik terug bij het begin. Oude liefde roest niet, maar kan wel van vorm veranderen. Binnenkort komt mijn eerste paardenmeisjesboek uit. 

NIEUW: SAAR CURSUSSEN Hey! Wist je dat we nu ook cursussen hebben? Niet van die niemendalletjes gemaakt door jonge meiden, maar stevige en slimme online trainingen gemaakt door en voor 50+ vrouwen. Kijk hier voor ons nieuwe cursusaanbod.

NU MET 15% INTRODUCTIEKORTING (gebruik bij het afrekenen de code: introductiekorting)

Judith Eiselin
Judith Eiselin
Judith Eiselin (51) leest sinds ze lezen kan en schrijft daarover in NRC Handelsblad. Behalve journalist is ze schrijver, vooral van kinderboeken, marktkoopvrouw en gepassioneerd paddenstoelenzoeker. Zij heeft meer dieren dan strikt noodzakelijk, vier katten, twee konijnen en een bejaard paard, en twee mooie grote dochters.

RECENTE ARTIKELEN