Waarom 50 ronduit kut is (en 60 weer top!)

Het leven begint bij zestig, ontdekte Jose Rozenbroek na een duivels decennium, getekend door de overgang en een leeg nest. Ik leef een fijn leven en daarvoor dank ik god op mijn krakende knieën.
Tekst: Jose Rozenbroek

Een paar weken voordat ik vijftig word drink ik thee met mijn oudste zus.
Vijftig, somber ik tegen haar. Vijftig! Dan word je écht oud. Dan kun je het idee dat je nog enigszins fris en fruitig bent voorgoed afschrijven.

Mijn zus, tien jaar ouder, ziet er geweldig uit, haar lichaam slank door alle pilatesoefeningen, haar huid vrijwel rimpelloos en glanzend – ze heeft nooit gerookt, drinkt weinig en smeert zich altijd duimendik in met factor vijftig. Dat werpt z’n vruchten af. Ik schaam me dat ik haar met mijn woorden afschrijf, en toch voel ik het zo.

Ze roert zwijgend in haar thee en vraagt dan: Waarom vind je ’t zo erg? Ik denk aan de rijke vader van een vriendin. Hoe hij me een paar jaar geleden, ik was een jaar of 45, zijn landhuis liet zien, me door de vertrekken leidde, langs de rijkgevulde boekenkasten, de kunst aan de muren, het uitzicht op de tuin. In de biljartkamer stond hij stil, gaf me achteloos een compliment en vertelde dat hij altijd kon ruiken of een vrouw nog vruchtbaar was.

Ik dacht even dat ik het niet goed had verstaan. Wát zei hij? Ik voelde me even gevleid: gelukkig, ik ben nog vruchtbaar, niet zo’n uitgedroogde menopauzale taart! Maar toen drong tot me door dat hij, ouwe man van dik in de zeventig, schandalig seksistische taal uitsloeg. Dat ik me niet gevleid moest voelen, maar hem eigenlijk een koekje van eigen deeg moest geven: zeg kerel, vertel eens, krijg jij ’m nog omhoog?

Ik deed ik niet – te beschaafd en te laf. In plaats daarvan flirtte ik, leunend tegen het biljart, een beetje terug.

Ik vertel het verhaal aan mijn zus. Ze kijkt misprijzend. Ze kent de man; inmiddels is hij aan zijn vijfde vrouw toe. Door dit soort mannen ga jij dus denken dat na je vijftigste – lees: de overgang – het leven ophoudt. Dat geen mens – lees: geen man – je meer ziet staan. Totale onzin natuurlijk, zegt ze, maar ze kan zich wel herinneren dat ze zich ook zo voelde toen ze vijftig werd. Het zal wel aan de wiebelende hormonen liggen. Nee, dan is zestig worden een stuk leuker. Dan heb je aanvaard dat je niet meer jong, fris en fruitig bent, dat je vel nooit meer strak wordt, ook al volg je honderd pilateslesjes per week. Dan haal je je schouders op als sommige mannen je niet meer staan. Dan heb je geaccepteerd dat dat erbij hoort. En kijk, dan blijkt het leven nog veel voor je in petto te hebben.

Empty nest

En toen wérd ik vijftig. Ik kwam volop in de overgang: nachtzweten, slecht slapen, een onvoorspelbare cyclus met de dag dat ik uit de auto stapte op de parkeerplaats bij mijn werk als absoluut dieptepunt. Alsof er een emmer in me werd omgekiept: ik voelde het bloed uit me gutsen en langs mijn dijen stromen. Mijn onderbroek en panty raakten doorweekt. Wijdbeens liep ik naar de wc, vroeg aan een wildvreemde vrouw een tampon, waste mijn panty, propte er wc-papier in en haastte me naar mijn vergadering.

Een jaar later gingen beide dochters tegelijk het huis uit. De ene zaterdag huurden we een busje om jongste naar een hypermoderne campus in Amsterdam te verhuizen, de zaterdag erop hetzelfde busje om oudste in een aftands studentenhuis in Leiden te installeren. In één klap was het ouderlijk huis drie slagen te groot geworden. Ik dwaalde door hun leeg getrokken slaapkamers, deed een vergeten shirtje in de wasmand en luisterde naar de stilte. Met die stilte kwam het emptynestsyndroom keihard binnen. Totaal onverwacht – in mijn hoogmoed had ik dat altijd meer iets gevonden voor verveelde huismoeders zonder baan. Niet voor vrouwen zoals ik, die zich een slag in de rondte werkten, met een overvolle sociale agenda en die altijd tijd te kort kwamen.

Wat ik even over het hoofd had gezien: bijna twintig jaar had mijn leven om de dochters gedraaid. Veertien daarvan waren we met ons drietjes geweest. Hadden we op de bank in elkaar verstrengeld thee gedronken, chocola gegeten, Loenatik, X-factor, Grey’s Anatomy en minstens 38 keer Love Actually gekeken. Gezamenlijk hielden we dat vrouwenhuishoudentje draaiende, inclusief meidengeruzie, meidengegiechel, meidendrama’s en een badkamer vol potjes, tubetjes en tampons, waar altijd minstens acht beha’s in drie verschillende maten rondslingerden. Nu bleef opeens die badkamer schoon en opgeruimd, draaide ik halfvolle trommels, deed ik opeens een week met een halfje brood en een liter yoghurt.

Het lege-nestgevoel bleef dreinen dat eerste jaar. Godzijdank had ik als freelancer meer dan genoeg werk. Ik gooide de agenda wat voller, nam nog meer klussen aan, maar het mocht niet baten. Dat lege, grote, stille huis bleef leeg, groot en stil als ik ’s ochtends wakker werd of ’s avonds thuiskwam. Geen meiden meer die nog even in mijn bed kropen, wilde verhalen vertelden, me op de hoogte hielden van wat cool was of vet of bizar.

Langzaamaan begon ik de voordelen te zien. Als ik tot acht uur wilde werken, deed ik dat gewoon. Hoe heerlijk was het dat ik niet meer elke avond een verantwoorde maaltijd op tafel hoefde te zetten maar ook gewoon een boterham met pindakaas kon eten. Dat de badkamer nooit bezet was. Geen ergernissen meer op de vroege morgen. Ik kon herenbezoek ontvangen zonder dat er vanaf de zijlijn kritisch commentaar werd geleverd.

Schaamte

Het zeurende gemis en de somberte namen dan wel af, maar het huis paste me niet meer. Ondanks hun protesten (Maar dan hebben we geen Ouderlijk Huis meer!) besloot ik het te verkopen en te verhuizen naar Amsterdam. Ik werd verliefd op een loft aan een park.

Met die stap naar de stad veranderde ook mijn stemming. Ik kreeg weer zin in het leven. Dat ik een hormoonpilletje tegen het nachtzweten en de moodswings slikte hielp ook. Soms ruilde ik mijn huis en werkte dan vanuit New York of Toscane of Parijs. Ik ging op Tinder en date me suf. Ik was dan wel zo’n onvruchtbare vijftiger, zo’n menopauzale taart, maar ik bleek nog best in de markt te liggen. Ik beleefde grote en kleine avonturen, en werd zelfs verliefd alsof ik weer zestien was.

Desondanks bleef er een zekere schaamte. Schaamte over mijn leeftijd, dat ik overduidelijk een rijpere vrouw was geworden. Als ik tegenover een man zat vroeg ik me af of hij me niet te oud vond, hoeveel ouder hij zelf ook was. Ik betrapte mezelf op ongemak als ik in gezelschap verkeerde waarin ik overduidelijk de oudste was. Ik speurde naar tekenen van verveling, bij vrouwen, bij mannen – ben ik nog interessant genoeg? Word ik nog gezien? Telt mijn mening nog?

Ik schaamde me over mijn schaamte – wat een flauwekul. Maar ik kreeg het niet uit mijn kop.

Ik ken overigens geen vrouw die zonder enige vorm van schaamte door het leven gaat. Schaamte over hoe ze eruitziet, schaamte over die onvolmaakte kop of lijf. Schaamte omdat ze te dik is of te dun, grote of kleine borsten heeft, rimpels of appelwangen, een dikke kont of het gebrek eraan. En ja, daar komt dan ook de schaamte bij over het simpele feit dat je ouder wordt. Ik denk aan die grijze collega die tot haar diepe gêne tijdens een vrijdagmiddagborrel over het hoofd werd gezien en letterlijk opzij geduwd. Ik zie hoe mijn vriendin kijkt naar de (prachtige) foto op de achterflap van haar laatste roman. Oude vrouw, hoor ik haar mompelen terwijl ze het boek snel omdraait. En er is altijd wel een film of een boek dat ons vrouwen fijntjes erop wijst dat het té gênant is voor woorden. In De heilige Rita van Tommy Wieringa staat een van de meest pijnlijke bedscènes die ik ooit heb gelezen, over een man die met een oude schoolvriendin naar bed gaat: Het oudere vrouwenlichaam, begreep hij, moest met de handen worden beroerd, niet met de ogen. Let wel: deze Paul is geen jonge god, maar net als zijn bedgenote halverwege de vijftig.

Niet zeuren

Vrouwen leren vrouw te zijn van andere vrouwen, in de eerste plaats van hun moeder. Mijn moeder was niet wat je noemt een schaamtevolle vrouw. Ze was loud, stak haar mening nooit over stoelen of banken, en waar de andere moeders gebloemde C&Atjes droegen, verscheen zij in lange broek en bergschoenen. Maar ook mijn moeder schaamde zich wel degelijk voor haar lichaam in verval, voor de rimpels in haar gezicht. Op haar vijftigste verzuchtte ze hoe mooi ze tien jaar eerder was, op haar zeventigste benijdde ze alle zestigers. Toen ze tachtig werd ging ze naar de sportschool in het dorp en vroeg aan de instructeur hoe ze die vellen aan haar armen, waar ze zich zo voor geneerde, weg kon trainen.

Zoals mijn moeder zou ik later niet worden, beloofde ik altijd mezelf. Niets treuriger immers dan een ouder wordende vrouw die zich vergeefs vastklampt aan de schoonheid van de jeugd. Das war einmal. Ik kan niet anders zeggen: ik deed mijn best. Ik probeerde zo min mogelijk te zeuren of te klagen. Desondanks waren die schaamte en die afkeer van mijn moeder stevig in mij verankerd. Toen ik zo de zestig naderde leek mijn zus toch gelijk te krijgen. Veranderde die schaamte ongemerkt in berusting: als je zestig bent kun je echt niet langer ontkennen dat je geen jonge blom meer bent, moet je stoppen met die pathetische gêne voor iets waar je niks aan kan doen, wat onvermijdelijk bij het leven hoort en waar je juist blij om moet zijn. Want wie niet ouder wordt, is dood. En omdat er niks meer te jammeren viel, en niks meer te redden ook – een spuitje botox maakt je niet meer jonger – kwam er ruimte voor een ander gevoel: voor blijheid, voor dankbaarheid zou ik bijna zeggen als dat niet zo’n verschrikkelijk woord was. Want het leven bleek niet voorbij na m’n vijftigste – integendeel. Ik zit zoveel beter in mijn vel dan tien jaar geleden toen ik in de overgang zat, het lege nest aan me knaagde en ik mezelf en mijn leven moest leren resetten.

Daarna kreeg ik zowaar van alles gratis en voor niks in mijn schoot geworpen: vrijheid om te gaan en te staan waar ik wil. Nieuwe avonturen. Een volwassen relatie met mijn dochters. Een nieuwe leuke man. Ik ben gezond – misschien wel het meest kostbare goed, zeker als ik om mij zie hoe dat anders kan zijn. Ik leef een verdomd fijn leven en daarvoor dank ik god op mijn krakende knieën.

Waarom 50 ronduit kut is (en 60 weer top!)

Het leven begint bij zestig, ontdekte Jose Rozenbroek na een duivels decennium, getekend door de overgang en een leeg nest. Ik leef een fijn leven en daarvoor dank ik god op mijn krakende knieën.
Tekst: Jose Rozenbroek

Een paar weken voordat ik vijftig word drink ik thee met mijn oudste zus.
Vijftig, somber ik tegen haar. Vijftig! Dan word je écht oud. Dan kun je het idee dat je nog enigszins fris en fruitig bent voorgoed afschrijven.

Mijn zus, tien jaar ouder, ziet er geweldig uit, haar lichaam slank door alle pilatesoefeningen, haar huid vrijwel rimpelloos en glanzend – ze heeft nooit gerookt, drinkt weinig en smeert zich altijd duimendik in met factor vijftig. Dat werpt z’n vruchten af. Ik schaam me dat ik haar met mijn woorden afschrijf, en toch voel ik het zo.

Ze roert zwijgend in haar thee en vraagt dan: Waarom vind je ’t zo erg? Ik denk aan de rijke vader van een vriendin. Hoe hij me een paar jaar geleden, ik was een jaar of 45, zijn landhuis liet zien, me door de vertrekken leidde, langs de rijkgevulde boekenkasten, de kunst aan de muren, het uitzicht op de tuin. In de biljartkamer stond hij stil, gaf me achteloos een compliment en vertelde dat hij altijd kon ruiken of een vrouw nog vruchtbaar was.

Ik dacht even dat ik het niet goed had verstaan. Wát zei hij? Ik voelde me even gevleid: gelukkig, ik ben nog vruchtbaar, niet zo’n uitgedroogde menopauzale taart! Maar toen drong tot me door dat hij, ouwe man van dik in de zeventig, schandalig seksistische taal uitsloeg. Dat ik me niet gevleid moest voelen, maar hem eigenlijk een koekje van eigen deeg moest geven: zeg kerel, vertel eens, krijg jij ’m nog omhoog?

Ik deed ik niet – te beschaafd en te laf. In plaats daarvan flirtte ik, leunend tegen het biljart, een beetje terug.

Ik vertel het verhaal aan mijn zus. Ze kijkt misprijzend. Ze kent de man; inmiddels is hij aan zijn vijfde vrouw toe. Door dit soort mannen ga jij dus denken dat na je vijftigste – lees: de overgang – het leven ophoudt. Dat geen mens – lees: geen man – je meer ziet staan. Totale onzin natuurlijk, zegt ze, maar ze kan zich wel herinneren dat ze zich ook zo voelde toen ze vijftig werd. Het zal wel aan de wiebelende hormonen liggen. Nee, dan is zestig worden een stuk leuker. Dan heb je aanvaard dat je niet meer jong, fris en fruitig bent, dat je vel nooit meer strak wordt, ook al volg je honderd pilateslesjes per week. Dan haal je je schouders op als sommige mannen je niet meer staan. Dan heb je geaccepteerd dat dat erbij hoort. En kijk, dan blijkt het leven nog veel voor je in petto te hebben.

Empty nest

En toen wérd ik vijftig. Ik kwam volop in de overgang: nachtzweten, slecht slapen, een onvoorspelbare cyclus met de dag dat ik uit de auto stapte op de parkeerplaats bij mijn werk als absoluut dieptepunt. Alsof er een emmer in me werd omgekiept: ik voelde het bloed uit me gutsen en langs mijn dijen stromen. Mijn onderbroek en panty raakten doorweekt. Wijdbeens liep ik naar de wc, vroeg aan een wildvreemde vrouw een tampon, waste mijn panty, propte er wc-papier in en haastte me naar mijn vergadering.

Een jaar later gingen beide dochters tegelijk het huis uit. De ene zaterdag huurden we een busje om jongste naar een hypermoderne campus in Amsterdam te verhuizen, de zaterdag erop hetzelfde busje om oudste in een aftands studentenhuis in Leiden te installeren. In één klap was het ouderlijk huis drie slagen te groot geworden. Ik dwaalde door hun leeg getrokken slaapkamers, deed een vergeten shirtje in de wasmand en luisterde naar de stilte. Met die stilte kwam het emptynestsyndroom keihard binnen. Totaal onverwacht – in mijn hoogmoed had ik dat altijd meer iets gevonden voor verveelde huismoeders zonder baan. Niet voor vrouwen zoals ik, die zich een slag in de rondte werkten, met een overvolle sociale agenda en die altijd tijd te kort kwamen.

Wat ik even over het hoofd had gezien: bijna twintig jaar had mijn leven om de dochters gedraaid. Veertien daarvan waren we met ons drietjes geweest. Hadden we op de bank in elkaar verstrengeld thee gedronken, chocola gegeten, Loenatik, X-factor, Grey’s Anatomy en minstens 38 keer Love Actually gekeken. Gezamenlijk hielden we dat vrouwenhuishoudentje draaiende, inclusief meidengeruzie, meidengegiechel, meidendrama’s en een badkamer vol potjes, tubetjes en tampons, waar altijd minstens acht beha’s in drie verschillende maten rondslingerden. Nu bleef opeens die badkamer schoon en opgeruimd, draaide ik halfvolle trommels, deed ik opeens een week met een halfje brood en een liter yoghurt.

Het lege-nestgevoel bleef dreinen dat eerste jaar. Godzijdank had ik als freelancer meer dan genoeg werk. Ik gooide de agenda wat voller, nam nog meer klussen aan, maar het mocht niet baten. Dat lege, grote, stille huis bleef leeg, groot en stil als ik ’s ochtends wakker werd of ’s avonds thuiskwam. Geen meiden meer die nog even in mijn bed kropen, wilde verhalen vertelden, me op de hoogte hielden van wat cool was of vet of bizar.

Langzaamaan begon ik de voordelen te zien. Als ik tot acht uur wilde werken, deed ik dat gewoon. Hoe heerlijk was het dat ik niet meer elke avond een verantwoorde maaltijd op tafel hoefde te zetten maar ook gewoon een boterham met pindakaas kon eten. Dat de badkamer nooit bezet was. Geen ergernissen meer op de vroege morgen. Ik kon herenbezoek ontvangen zonder dat er vanaf de zijlijn kritisch commentaar werd geleverd.

Schaamte

Het zeurende gemis en de somberte namen dan wel af, maar het huis paste me niet meer. Ondanks hun protesten (Maar dan hebben we geen Ouderlijk Huis meer!) besloot ik het te verkopen en te verhuizen naar Amsterdam. Ik werd verliefd op een loft aan een park.

Met die stap naar de stad veranderde ook mijn stemming. Ik kreeg weer zin in het leven. Dat ik een hormoonpilletje tegen het nachtzweten en de moodswings slikte hielp ook. Soms ruilde ik mijn huis en werkte dan vanuit New York of Toscane of Parijs. Ik ging op Tinder en date me suf. Ik was dan wel zo’n onvruchtbare vijftiger, zo’n menopauzale taart, maar ik bleek nog best in de markt te liggen. Ik beleefde grote en kleine avonturen, en werd zelfs verliefd alsof ik weer zestien was.

Desondanks bleef er een zekere schaamte. Schaamte over mijn leeftijd, dat ik overduidelijk een rijpere vrouw was geworden. Als ik tegenover een man zat vroeg ik me af of hij me niet te oud vond, hoeveel ouder hij zelf ook was. Ik betrapte mezelf op ongemak als ik in gezelschap verkeerde waarin ik overduidelijk de oudste was. Ik speurde naar tekenen van verveling, bij vrouwen, bij mannen – ben ik nog interessant genoeg? Word ik nog gezien? Telt mijn mening nog?

Ik schaamde me over mijn schaamte – wat een flauwekul. Maar ik kreeg het niet uit mijn kop.

Ik ken overigens geen vrouw die zonder enige vorm van schaamte door het leven gaat. Schaamte over hoe ze eruitziet, schaamte over die onvolmaakte kop of lijf. Schaamte omdat ze te dik is of te dun, grote of kleine borsten heeft, rimpels of appelwangen, een dikke kont of het gebrek eraan. En ja, daar komt dan ook de schaamte bij over het simpele feit dat je ouder wordt. Ik denk aan die grijze collega die tot haar diepe gêne tijdens een vrijdagmiddagborrel over het hoofd werd gezien en letterlijk opzij geduwd. Ik zie hoe mijn vriendin kijkt naar de (prachtige) foto op de achterflap van haar laatste roman. Oude vrouw, hoor ik haar mompelen terwijl ze het boek snel omdraait. En er is altijd wel een film of een boek dat ons vrouwen fijntjes erop wijst dat het té gênant is voor woorden. In De heilige Rita van Tommy Wieringa staat een van de meest pijnlijke bedscènes die ik ooit heb gelezen, over een man die met een oude schoolvriendin naar bed gaat: Het oudere vrouwenlichaam, begreep hij, moest met de handen worden beroerd, niet met de ogen. Let wel: deze Paul is geen jonge god, maar net als zijn bedgenote halverwege de vijftig.

Niet zeuren

Vrouwen leren vrouw te zijn van andere vrouwen, in de eerste plaats van hun moeder. Mijn moeder was niet wat je noemt een schaamtevolle vrouw. Ze was loud, stak haar mening nooit over stoelen of banken, en waar de andere moeders gebloemde C&Atjes droegen, verscheen zij in lange broek en bergschoenen. Maar ook mijn moeder schaamde zich wel degelijk voor haar lichaam in verval, voor de rimpels in haar gezicht. Op haar vijftigste verzuchtte ze hoe mooi ze tien jaar eerder was, op haar zeventigste benijdde ze alle zestigers. Toen ze tachtig werd ging ze naar de sportschool in het dorp en vroeg aan de instructeur hoe ze die vellen aan haar armen, waar ze zich zo voor geneerde, weg kon trainen.

Zoals mijn moeder zou ik later niet worden, beloofde ik altijd mezelf. Niets treuriger immers dan een ouder wordende vrouw die zich vergeefs vastklampt aan de schoonheid van de jeugd. Das war einmal. Ik kan niet anders zeggen: ik deed mijn best. Ik probeerde zo min mogelijk te zeuren of te klagen. Desondanks waren die schaamte en die afkeer van mijn moeder stevig in mij verankerd. Toen ik zo de zestig naderde leek mijn zus toch gelijk te krijgen. Veranderde die schaamte ongemerkt in berusting: als je zestig bent kun je echt niet langer ontkennen dat je geen jonge blom meer bent, moet je stoppen met die pathetische gêne voor iets waar je niks aan kan doen, wat onvermijdelijk bij het leven hoort en waar je juist blij om moet zijn. Want wie niet ouder wordt, is dood. En omdat er niks meer te jammeren viel, en niks meer te redden ook – een spuitje botox maakt je niet meer jonger – kwam er ruimte voor een ander gevoel: voor blijheid, voor dankbaarheid zou ik bijna zeggen als dat niet zo’n verschrikkelijk woord was. Want het leven bleek niet voorbij na m’n vijftigste – integendeel. Ik zit zoveel beter in mijn vel dan tien jaar geleden toen ik in de overgang zat, het lege nest aan me knaagde en ik mezelf en mijn leven moest leren resetten.

Daarna kreeg ik zowaar van alles gratis en voor niks in mijn schoot geworpen: vrijheid om te gaan en te staan waar ik wil. Nieuwe avonturen. Een volwassen relatie met mijn dochters. Een nieuwe leuke man. Ik ben gezond – misschien wel het meest kostbare goed, zeker als ik om mij zie hoe dat anders kan zijn. Ik leef een verdomd fijn leven en daarvoor dank ik god op mijn krakende knieën.