Pardon, mag ik even klagen?

Tijdens het mediteren knapte er iets in haar knieën. Haar hand trilt sinds kort een beetje. En nu krijgt ze voor haar platvoeten ook nog eens woest aantrekkelijke zooltjes aangemeten. Kortom: Carly Teunissen (52) vindt het maar niks, dat hele ouder worden.

In de boekhandel, stond een oudere dame. Haar hoofd trilde. Van die kleine, ongecontroleerde schokjes als een wiebelhondje op de hoedenplank van de auto. Heel schattig dat bewegende koppie, maar niet bij mensen. Dan is het een nachtmerrie. Dood- en doodeng. Ik vroeg me af of ik dat later ook zou krijgen en zo ja, wanneer. Het is dat het wiebelhondje met haar rollator over mijn teen reed, anders had ik nu nog in die winkel gestaan. Verdwaald in mijn angsten. De gezinsagenda die ik afrekende, was een realitycheck waardoor ik me realiseerde: godzijdank wonen mijn kinderen nog thuis. Ik ben nog nodig.

Oud worden lijkt me verschrikkelijk. Natuurlijk hoop ik het te worden, al is het alleen maar om mijn kinderen. Ik wil niets liever dan bij ze zijn, alsof ik verslaafd aan ze ben. Als het zou kunnen hield ik ze thuis tot hun dertigste. In gedachten smeek ik ze mij alsjeblieft niet alleen achter te laten met hun vader. Mijn man is best leuk, maar als de kinderen er niet zijn en we samen aan tafel zitten, hebben we elkaar weinig te vertellen. Is het ons voorland in stilte peinzend ons soepje op te slobberen? Ik manipuleer er lustig op los om te voorkomen dat de kinderen tegelijkertijd een speel-, eet- of logeerafspraak hebben. Want getver, dan zitten mijn man en ik met zijn tweeën aan tafel.

Oud worden is ook steeds lelijker en viezer worden. Onder m’n voeten heb ik vorige week een pandemie laten wegbranden. Mijn vel gaat hangen, ik heb opeens kilo’s die ik niet herken, mijn lijf voelt als een homp. Eerlijk gezegd voel ik me vaak vies. Volgens de kinderen stink ik uit m’n snavel en niet alleen als ik net uit bed kom. Als kind nam ik me al voor later nooit te gaan stinken. Mijn moeder stonk ook altijd, maar die rookte als een ketter. Vooral in het weekend douche en poets ik me suf om schoon en geurig aan het ontbijt te verschijnen. Alles om mijn kinderen maar te mogen knuffelen en geen afwerende reactie te krijgen.

Het lukt me niet te wennen aan die aftakeling. Mijn lijf als een tombola vol klachten en gebreken, die op een dag opeens ploef in het bakje vallen. Als lullig reservegetal. Uit m’n ooghoek zag ik laatst hoe mijn hand trilde toen ik het opmaakkwastje van m’n gezicht weer naar het doosje bracht. Trillen; wat moet ik daar nu weer mee? Het is er sinds een paar maanden en het gaat niet weg. Sterker nog; het lijkt steeds erger te worden. Ik voel een eigenschap opborrelen die ik bij anderen echt verafschuw. De gruwelijkste onhebbelijkheid van ouwe zeikwijven: het ongevraagd lichten van een medisch dossier. Please!
Aan de andere kant, een potje klagen uit eigen dossier kan wel opluchten. Mijn status van dit moment? Hou je vast hoor.

Bij de huisarts heb ik gezeurd over mijn gekneusde poot. Bij nadere inspectie constateerde hij – ik moet nu even slikken – p.l.a.t.v.o.e.t.e.n. en schreef hij me woest aantrekkelijke zooltjes voor. Nu moet ik dus ook nog naar zo’n podo-mens. Ooit huppelde ik licht door mijn onbezorgde leven op beeldige hakken en slippertjes. Nu voel ik me een uitgerangeerde eend die flap flap door de drek waggelt.

Zere knieën (sedert 4,5 jaar). Pijnlijke hakken en achillespezen (sedert zes maanden). Is het nog te volgen? Overgevoelig scheenbeen (sedert vijf jaar) waarbij ik het uitschreeuw als mijn lieve Thaise masseuse er alleen maar zachtjes overheen aait. En last but not least: mijn ooit zo geile maar nu o zo pijnlijke heup. Allemaal door verkeerd te lopen om een gekneusde voet te ontzien. Of zoiets.

Volgens het podo-meisje (dat net uit een ei leek te zijn komen waardoor ik ernstig twijfelde of ze haar vak wel beheerste) zou alles goed komen. Met haar eigen hoefjes gestoken in beeldige sandaaltjes, verzekerde ze me dat zooltjes veel kunnen redden. Zelfs mijn doorgezakte voeten.

Vijf jaar geleden, toen ik nog jong was en me ook zo voelde, nam ik een sabbatical om af te reizen naar een yoga-universiteit in India. Time off van m’n goed gelukte baan en dito carrière. Dik twee weken week lekker in m’n eentje als enige blanke te midden van Indiërs uit alle kasten die het land telt. Ik gloeide, ik leefde, ik voelde me fantastisch. Voortaan zou ik aandacht geven aan lijf & geest. Bovendien zou ik de balans opmaken: wilde ik nog door op de weg die ik volgde? Dat ik al snel antwoord op die vraag zou krijgen, wist ik toen nog niet. Elke dag zat ik drie uur lang in de lotushouding en keek ik een half uur in het donker naar een verlicht Ohm-teken. Er werden badjes aangeboden, ik kreeg papjes te drinken en ’s avonds staarden we en groupe een half uur lang naar een kaars.

En toen gebeurde het. Mijn knieën stopten ermee. Van het een op het andere moment leken ze stuk en kon ik geen stap meer zetten. Vervolgens werd ik gruwelijk ziek. Ik zat een hele dag op een ranzige wc zonder toiletpapier en belandde uiteindelijk bij het plaatselijke Artritisgroepje. Daar zat ik dan, tussen allemaal oudere dames in prachtige saris, waar links en rechts een vetrolletje uit de doeken piepte. Ik voelde me er compleet misplaatst. Hallo, ík was nog jong en sterk en gespierd. Toch? Daar, op die plek in India, klonk voor mij het keiharde startschot voor ouder worden.

Datzelfde jaar verloor ik mijn moeder en haalde ik met mijn zussen de kleding en boeken uit haar kasten om ze vervolgens in dozen te stoppen en daarmee achteloos haar leven weg te gooien. Het verdelen van de erfenis bracht oude gevoeligheden en tekorten pijnlijk aan het licht. Opeens moesten we het redden zonder ouders, de twee mensen die altijd zo’n logische verbinding vormden. Wezen die het zelf moesten doen. Niemand meer boven je, nu was ik de eerste in de rij om dood te gaan. Ik voelde me oud en kwetsbaar. En dit was pas het begin, ik zou nog veel meer kwijtraken. Het wordt alleen maar slechter.

Als ik bedenk dat ik nog tot pakweg mijn zeventigste zal moeten werken, schiet ik compleet in de stress. Hoe dan? M’n hoofd zit vol blubber en ik vergeet alles. Bij de psych op de bank duid ik mijn klachten en leer ik dat het allemaal hoort bij ouder worden. Kwam het allemaal maar door de OVERgang want die gaat OVER. Dan zou je alles wat je kon, gewoon weer terugkrijgen. Het wordt echt heftig wanneer je accepteert dat het onderdeel is van ouder worden. Dan blijkt dat ik een doodlopende straat ben ingelopen – omkeren is niet mogelijk.

Op dit moment werk ik niet. Geen carrière meer, niet langer succesvol. Ik probeer te leren dat een leven zonder werk ook waarde heeft. Ik heb het fysiek niet volgehouden, dat is de naakte waarheid en die vind ik moeilijk te accepteren. Als ik lees over succesvolle vrouwen (laatst nog in Nouveau: Barbara Baarsma, zo’n prachtige slanke vrouw, mega slim en succesvol met ook nog een leuke man en kinderen die studeren) denk ik alleen maar: kutwijven. Heel erg, maar ik denk het echt. Ik wil liever hun ellende horen. Waar zit je donkere kant, vertel me wat je angsten zijn, welke gebreken je hebt en wat je elke week aan je psych vertelt. Dat zou me misschien geruststellen.

Die reis naar India, toen ik me nog eager, succesvol en knisperend voelde, is pas vijf jaar geleden. In die tijd is er heel veel veranderd en niet per se ten goede. In tijdschriften hebben verhalen altijd een happy ending maar dat kan ik niet bieden. Ik kan nog niet zeggen dat deze episode me zoveel brengt en dat ik er ongetwijfeld rijker uit zal komen. Ik voel me niet fit en een nieuwe werkbestemming heb ik nog niet gevonden. In mijn hoofd en ziel ben ik aan het dolen, op zoek naar dingen die me energie geven. Zodat ik de knop weer om kan draaien.

Soms vind ik het eng, de leegheid. Het niet weten en niks doen is misschien wel het nieuwe mindful. Niets is moeilijker dan nietsdoen. Ik ben nog aan het oefenen, misschien ga ik het ooit leren, desnoods vanaf een hoedenplank. Tot dat moment, doe ik maar lekker even niks.

Pardon, mag ik even klagen?

Tijdens het mediteren knapte er iets in haar knieën. Haar hand trilt sinds kort een beetje. En nu krijgt ze voor haar platvoeten ook nog eens woest aantrekkelijke zooltjes aangemeten. Kortom: Carly Teunissen (52) vindt het maar niks, dat hele ouder worden.

In de boekhandel, stond een oudere dame. Haar hoofd trilde. Van die kleine, ongecontroleerde schokjes als een wiebelhondje op de hoedenplank van de auto. Heel schattig dat bewegende koppie, maar niet bij mensen. Dan is het een nachtmerrie. Dood- en doodeng. Ik vroeg me af of ik dat later ook zou krijgen en zo ja, wanneer. Het is dat het wiebelhondje met haar rollator over mijn teen reed, anders had ik nu nog in die winkel gestaan. Verdwaald in mijn angsten. De gezinsagenda die ik afrekende, was een realitycheck waardoor ik me realiseerde: godzijdank wonen mijn kinderen nog thuis. Ik ben nog nodig.

Oud worden lijkt me verschrikkelijk. Natuurlijk hoop ik het te worden, al is het alleen maar om mijn kinderen. Ik wil niets liever dan bij ze zijn, alsof ik verslaafd aan ze ben. Als het zou kunnen hield ik ze thuis tot hun dertigste. In gedachten smeek ik ze mij alsjeblieft niet alleen achter te laten met hun vader. Mijn man is best leuk, maar als de kinderen er niet zijn en we samen aan tafel zitten, hebben we elkaar weinig te vertellen. Is het ons voorland in stilte peinzend ons soepje op te slobberen? Ik manipuleer er lustig op los om te voorkomen dat de kinderen tegelijkertijd een speel-, eet- of logeerafspraak hebben. Want getver, dan zitten mijn man en ik met zijn tweeën aan tafel.

Oud worden is ook steeds lelijker en viezer worden. Onder m’n voeten heb ik vorige week een pandemie laten wegbranden. Mijn vel gaat hangen, ik heb opeens kilo’s die ik niet herken, mijn lijf voelt als een homp. Eerlijk gezegd voel ik me vaak vies. Volgens de kinderen stink ik uit m’n snavel en niet alleen als ik net uit bed kom. Als kind nam ik me al voor later nooit te gaan stinken. Mijn moeder stonk ook altijd, maar die rookte als een ketter. Vooral in het weekend douche en poets ik me suf om schoon en geurig aan het ontbijt te verschijnen. Alles om mijn kinderen maar te mogen knuffelen en geen afwerende reactie te krijgen.

Het lukt me niet te wennen aan die aftakeling. Mijn lijf als een tombola vol klachten en gebreken, die op een dag opeens ploef in het bakje vallen. Als lullig reservegetal. Uit m’n ooghoek zag ik laatst hoe mijn hand trilde toen ik het opmaakkwastje van m’n gezicht weer naar het doosje bracht. Trillen; wat moet ik daar nu weer mee? Het is er sinds een paar maanden en het gaat niet weg. Sterker nog; het lijkt steeds erger te worden. Ik voel een eigenschap opborrelen die ik bij anderen echt verafschuw. De gruwelijkste onhebbelijkheid van ouwe zeikwijven: het ongevraagd lichten van een medisch dossier. Please!
Aan de andere kant, een potje klagen uit eigen dossier kan wel opluchten. Mijn status van dit moment? Hou je vast hoor.

Bij de huisarts heb ik gezeurd over mijn gekneusde poot. Bij nadere inspectie constateerde hij – ik moet nu even slikken – p.l.a.t.v.o.e.t.e.n. en schreef hij me woest aantrekkelijke zooltjes voor. Nu moet ik dus ook nog naar zo’n podo-mens. Ooit huppelde ik licht door mijn onbezorgde leven op beeldige hakken en slippertjes. Nu voel ik me een uitgerangeerde eend die flap flap door de drek waggelt.

Zere knieën (sedert 4,5 jaar). Pijnlijke hakken en achillespezen (sedert zes maanden). Is het nog te volgen? Overgevoelig scheenbeen (sedert vijf jaar) waarbij ik het uitschreeuw als mijn lieve Thaise masseuse er alleen maar zachtjes overheen aait. En last but not least: mijn ooit zo geile maar nu o zo pijnlijke heup. Allemaal door verkeerd te lopen om een gekneusde voet te ontzien. Of zoiets.

Volgens het podo-meisje (dat net uit een ei leek te zijn komen waardoor ik ernstig twijfelde of ze haar vak wel beheerste) zou alles goed komen. Met haar eigen hoefjes gestoken in beeldige sandaaltjes, verzekerde ze me dat zooltjes veel kunnen redden. Zelfs mijn doorgezakte voeten.

Vijf jaar geleden, toen ik nog jong was en me ook zo voelde, nam ik een sabbatical om af te reizen naar een yoga-universiteit in India. Time off van m’n goed gelukte baan en dito carrière. Dik twee weken week lekker in m’n eentje als enige blanke te midden van Indiërs uit alle kasten die het land telt. Ik gloeide, ik leefde, ik voelde me fantastisch. Voortaan zou ik aandacht geven aan lijf & geest. Bovendien zou ik de balans opmaken: wilde ik nog door op de weg die ik volgde? Dat ik al snel antwoord op die vraag zou krijgen, wist ik toen nog niet. Elke dag zat ik drie uur lang in de lotushouding en keek ik een half uur in het donker naar een verlicht Ohm-teken. Er werden badjes aangeboden, ik kreeg papjes te drinken en ’s avonds staarden we en groupe een half uur lang naar een kaars.

En toen gebeurde het. Mijn knieën stopten ermee. Van het een op het andere moment leken ze stuk en kon ik geen stap meer zetten. Vervolgens werd ik gruwelijk ziek. Ik zat een hele dag op een ranzige wc zonder toiletpapier en belandde uiteindelijk bij het plaatselijke Artritisgroepje. Daar zat ik dan, tussen allemaal oudere dames in prachtige saris, waar links en rechts een vetrolletje uit de doeken piepte. Ik voelde me er compleet misplaatst. Hallo, ík was nog jong en sterk en gespierd. Toch? Daar, op die plek in India, klonk voor mij het keiharde startschot voor ouder worden.

Datzelfde jaar verloor ik mijn moeder en haalde ik met mijn zussen de kleding en boeken uit haar kasten om ze vervolgens in dozen te stoppen en daarmee achteloos haar leven weg te gooien. Het verdelen van de erfenis bracht oude gevoeligheden en tekorten pijnlijk aan het licht. Opeens moesten we het redden zonder ouders, de twee mensen die altijd zo’n logische verbinding vormden. Wezen die het zelf moesten doen. Niemand meer boven je, nu was ik de eerste in de rij om dood te gaan. Ik voelde me oud en kwetsbaar. En dit was pas het begin, ik zou nog veel meer kwijtraken. Het wordt alleen maar slechter.

Als ik bedenk dat ik nog tot pakweg mijn zeventigste zal moeten werken, schiet ik compleet in de stress. Hoe dan? M’n hoofd zit vol blubber en ik vergeet alles. Bij de psych op de bank duid ik mijn klachten en leer ik dat het allemaal hoort bij ouder worden. Kwam het allemaal maar door de OVERgang want die gaat OVER. Dan zou je alles wat je kon, gewoon weer terugkrijgen. Het wordt echt heftig wanneer je accepteert dat het onderdeel is van ouder worden. Dan blijkt dat ik een doodlopende straat ben ingelopen – omkeren is niet mogelijk.

Op dit moment werk ik niet. Geen carrière meer, niet langer succesvol. Ik probeer te leren dat een leven zonder werk ook waarde heeft. Ik heb het fysiek niet volgehouden, dat is de naakte waarheid en die vind ik moeilijk te accepteren. Als ik lees over succesvolle vrouwen (laatst nog in Nouveau: Barbara Baarsma, zo’n prachtige slanke vrouw, mega slim en succesvol met ook nog een leuke man en kinderen die studeren) denk ik alleen maar: kutwijven. Heel erg, maar ik denk het echt. Ik wil liever hun ellende horen. Waar zit je donkere kant, vertel me wat je angsten zijn, welke gebreken je hebt en wat je elke week aan je psych vertelt. Dat zou me misschien geruststellen.

Die reis naar India, toen ik me nog eager, succesvol en knisperend voelde, is pas vijf jaar geleden. In die tijd is er heel veel veranderd en niet per se ten goede. In tijdschriften hebben verhalen altijd een happy ending maar dat kan ik niet bieden. Ik kan nog niet zeggen dat deze episode me zoveel brengt en dat ik er ongetwijfeld rijker uit zal komen. Ik voel me niet fit en een nieuwe werkbestemming heb ik nog niet gevonden. In mijn hoofd en ziel ben ik aan het dolen, op zoek naar dingen die me energie geven. Zodat ik de knop weer om kan draaien.

Soms vind ik het eng, de leegheid. Het niet weten en niks doen is misschien wel het nieuwe mindful. Niets is moeilijker dan nietsdoen. Ik ben nog aan het oefenen, misschien ga ik het ooit leren, desnoods vanaf een hoedenplank. Tot dat moment, doe ik maar lekker even niks.