Het leed dat ondergoed heet: “Beha’s en onderbroeken kopen is een ramp”

-

Een queeste die nooit stopt, feitelijk een nachtmerrie, vindt Judith (51): dat is het zoeken naar de beste bh en de juiste onderbroek (slip vindt ze een smerig woord). Omdat de heilige graal zich nooit, of slechts zeer tijdelijk, aandient. Wat zit lekker, staat goed, past en blijft passen? En is er nou echt geen beha die gewassen kan worden zonder dat waszakje dat altijd kwijt is? 

Onlangs viel ik vijftien kilo af. Een wonderdieet? Nou nee, een scheiding. Rouw doet wonderen, weer gaan roken ook: ik pas weer eens niet in mijn kleren, maar ditmaal -hoera, bravo, voor het eerst sinds mensenheugenis- omdat ze te groot zijn! Broeken lubberen, onder mijn kont hangt ineens een stuk stof waar gerust nog een extra kont in past; riemen behoeven extra gaatjes. Een nieuwe broek kopen, drie maten kleiner dan de broeken die ik had, is natuurlijk feestelijk. Maar o jee: ook mijn beha’s lubberen en mijn onderbroeken zakken af. En ik haat het kopen van ondergoed.

Beha’s kopen

Beha’s kopen is een ramp. Want wat is nu mijn maat? Ik heb nog steeds kloeke borsten, niets te klagen op dat vlak (al is de een, inclusief de tepel, groter dan de ander), maar eh… is het nu D, E of toch weer C wat ik hebben moet, en welk cijfertje hoort daar dan bij? Moet ik naar een winkel om mijn hoe dan ook brede rug te laten opmeten? Daar moet ik niet aan denken…

Op mijn dertiende kreeg ik mijn eerste beha. Ik toog met mijn lieve moeder naar een winkel, het zal de Hünkemoller geweest zijn, en zocht met rode kop tussen de rekjes. We moesten het allerkleinste behaatje zien te vinden dat ze verkochten… En zelfs dat zou nog wel eens te groot kunnen zijn. Mijn ‘borsten’ waren nog niet meer dan harde schijfjes onder gezwollen tepels. Maar ik wilde zo graag een beha, zo, zo graag, net als Marije, net als Sandra uit mijn klas, die beweerden dat ze hun eigen buik niet langer konden zien als ze plat op hun rug lagen…

Uiteindelijk vonden we iets, een veredeld klein hemdje in beha-vorm. Die eerste ‘beha’ was, ik denk dat dit gemeengoed is, wit, met kleine bloemetjes erop. De hemel te rijk was ik ermee, danig bespoten met Anaïs Anaïs, zoals alle meisjes van school. Ik kon evenwel niet wachten tot ik méér tiet had, om erin te stoppen.

Van cup C naar F naar D

Nou, dat kwam goed. En: little did I know, want met die echt aanwezige borsten begon het beha-gedoe pas echt. Het leven van een borstenbezitter gaat niet over rozen. Eerst heb je tijdenlang geen geld. Daarom koop je goedkope behaatjes bij een warenhuis of lingerieketen. Zo lang de borsten nog vrij klein of gemiddeld zijn, en je zelf nog klein of gemiddeld bent, is dit niet zo’n probleem. Maar o wee als de boel begint te groeien en/of te zakken, in mijn geval van C via F naar (ik denk) D. Maar ik loop op de zaken vooruit.

Met C, waar het aanvankelijk voor lange tijd op uitdraaide, leek het nog best overzichtelijk. Ik liep een winkel binnen en kocht iets. Maar wat in de winkel goed zat, bleek thuis toch in mijn schouders te zagen. Striemen te veroorzaken onder mijn borsten, in mijn oksels te prikken, pijnlijk te puilen. Mooie kanten randjes prikten, jeukten, schuurden. Naast het materiaal was ook de kleurkeuze altijd weer een kwestie. Ik wilde best een beha in een andere kleur dan zwart of wit, en viel geregeld voor iets roods of voor een print. Maar dat stond, eenmaal verheugd thuis met mijn aankoop, toch nooit bij mijn witte huid.

‘Ik ging in de loop der jaren op een rollade lijken’

In mijn studententijd, toen ik dankzij een baantje als serveerster wat rijker werd, kocht ik een Marlies Dekkers-beha. Die zat heerlijk! Maar met volgende modellen, en een uitdijend figuur, ging ik in de loop der jaren steeds meer op een rollade lijken. Ook kreeg ik de krengen nooit gemakkelijk uit, er was er zelfs een die over mijn hoofd heen moest ná het openen van het haakje. Jongens raakten er met mij samen in verstrikt. Dus kocht ik er maar weer een bij een warenhuis. Die niet lekker zat, eenmaal thuis. En dan nog eens een, en weer, en zo modderde het voort.

En toen, op een mooie dag, was ik zwanger! Ik was pas zesentwintig, maar ik had mijn man gevonden en wist heel zeker dat dit was wat ik wilde. Nu al? Ja, nu al. Met vreugde zag ik mijn buik groeien. Met verbazing zag ik ook mijn borsten groeien… en groeien. Al gauw paste geen beha me nog.

Zwanger en een beha kopen

‘Ga naar een goede winkel,’ zei mijn moeder. ‘Met van die oudere verkoopsters die er verstand van hebben.’ Zij zou betalen, dus daar ging ik, samen met mijn (toen nog) brave man. Al snel stonden mijn buik, mijn boezem en ik in een pashok geperst. Zoals in alle pashokken ter wereld bleek het licht ook hier een zonde tegen de mensheid te zijn. O, wat was ik groot, bleek, vlekkerig, vadsig. Ineens was zwanger zijn niet meer zo leuk…

Daar stak een in de winkel werkzame mevrouw haar bebrilde hoofd om de hoek van het gordijn: ‘Wil het hier een beetje lukken?’ Ik schudde het hoofd. Geen zelfuitgezocht model, met charmant kant en kekke bandjes, zat tot nu toe lekker. De mevrouw keek naar wat ik aanhad, en schudde haar wijze hoofd. ‘Kind toch,’ sprak ze. ‘En dat in jouw toestand… nee hoor, ik zie het al: een F-je!’

Ik zei niets. Ik trok zwijgend aan wat ze me aanreikte. Een, twee, drie modellen. Beige, grijs, wit, met voorsluiting, want dat ‘werd binnenkort handig.’ Een zat er inderdaad echt lekker… een vleeskleurig reuzending. Ik slikte, knikte, rekende af. Eenmaal weer buiten barstte ik in tranen uit. Tot ontsteltenis van mijn man: ‘Wat is er nou? Je bent toch goed geslaagd?’ Geslaagd, noemde hij dat. ‘Een F-je,’ kreet ik. ‘Een F-je! Ik wil helemaal geen F-je. Ik wil weer normaal zijn!’

Borsten voor borstvoeding

Nou, echt normaal werd het niet meer sindsdien, want ik kreeg dus een kind, een prachtige, gezonde dochter. De maat van mijn borsten, F-je of geen F-je, interesseerde me niet meer. Borsten waren er om mee te voeden -en dat ging heel goed! Mijn tot de kleur van extra donkere chocolade verkleurde reuzentepels vond ik wel lelijk, maar handig voor mijn baby, die kon ze goed zien. En wat deden ze het goed! Zodra de baby een kik gaf, spoot de melk in twee bogen door de kamer. Als ze een borst leegdronk, moest ik over de andere een kopje schuiven, dat liep dan vanzelf vol. Het huis lag vol natte doeken, de vriezer stond vol overgeschoten melkresten, ik droeg blijmoedig oerlelijke voedingsbeha’s. Met voorsluiting, jawel, om de haverklap moest er een borst naar buiten. De baby werd dikker en dikker.

Maar na een half jaar was ik het zat, het leven als koe. Met veel moeite wende ik de baby af van mijn borsten, en, met nog veel meer moeite, de borsten van de baby. Ik kreeg verschrikkelijke stuwing en hing, net als vlak na de bevalling, weer kermend voorover met mijn borsten in een teil ijswater of op een zak diepvrieserwten. En ik fabriceerde een nieuwe beha, van bevroren maandverbanden ditmaal, o zo charmant.

In de drieëntwintig jaar die hier sindsdien op volgden, was er op mijn behamaat nooit meer echt peil te trekken. Soms was er een gelukkige tijd, waarin een juiste beha zich spontaan aandiende. In precies zo’n winkel die mijn moeder voorstond, openbaarde een verkoopster op leeftijd me op een goed moment welke merk geschikt was voor ‘Nederlandse vrouwen zoals u.’ Maar toen ging die winkel failliet, en zat ik weer.

Beha’s op internet bestellen

Tegenwoordig bestel ik met angst en beven beha’s op Internet. Ik weet welk merk ik moet hebben, maar nu hebben ze mijn lievelingsmodel uit de handel gehaald! Niet voor het eerst. Ik zoek dus nog maar even door… en laat ik dan meteen ook bij de onderbroeken kijken. Onderbroeken zijn ook een probleem, niet zo erg als beha’s, maar toch.

Eerst maar even over het woord ‘slipje’ en ‘slip’: daar ben ik allergisch voor. Ik begrijp ook wel dat het woord ‘onderbroek’ nuchter is, praktisch en onopwindend, maar hé, ik wil ook helemaal niet elke dag per se als een stoeipoes door het leven gaan -wie wel? Een onderbroek moet vooraleerst lekker zitten en van katoen zijn, wat mij betreft: dan jeukt en broeit het niet. Een onderbroek mag nergens in kruipen en niets nodeloos splijten. Satijnen of kanten broekjes met strikjes en kwikjes heb ik ook wel, maar die zijn voor speciale gelegenheden. Gelegenheden waarbij ik het opwindend vind zoiets (eventjes) aan te hebben. Onderbroeken die bij een beha passen vind ik eigenlijk altijd te duur en lelijk, en setjes bijeenhouden is sowieso niet iets wat me lukt, een verloren strijd die ik al lang niet meer aanga.

Onderbroeken kopen

Rond mijn dertigste ontdekte ik wat mijn favoriete onderbroek was: de tanga. Een normaal formaat stuk stof voor, een normaal formaat stuk stof achter, en daartussen, op mijn heupen, een touwtje. Meer was, en is, niet nodig. In zo’n onderbroek kon ik alles zijn, hitsig, ongesteld en alles daartussen. Hij schoof niet, knelde niet, kroop niet: ideaal. Ik kocht er destijds twintig en heb er intussen nog een stuk of vier. Zwart met een roze lijntje erlangs, de verbindingstouwtjes zijn ook roze. Alleen is dat zwart intussen grijs en eh, dat roze eigenlijk ook. En de tanga als model is sinds die ene aanschaf onvindbaar. Uit.

God mag weten waarom. Misschien verdrongen door de string? Ik ken vrouwen die zweren bij een string, een ervan rijdt er zelfs paard mee, maar mij doet zo’n broekje nog het meest denken aan een flosdraad. Ik heb het heus wel eens geprobeerd, maar nee. Als ik niet uitkeek liep ik de ganse dag te peuteren, me afvragend waar ‘ie gebleven was. Het zaagde, het schuurde. Nee.

‘Zwarte, katoenen slips’

Voor een zieke vriendin in het ziekenhuis moest ik laatst naar een warenhuis. Ze had te weinig onderbroeken, en zij wist wél, anders dan ik, wat ze wilde en waar ik zoeken moest. ‘Let op,’ zei ze, ‘geen hipster, geen vlinder, geen brazilian, geen boxer, geen hoge taille-model, geen lage taille-model… Koop slips voor me. Zwarte, katoenen slips.’ En dat deed ik. Ik kocht er zelfs een paar meer, voor mezelf. En dat ga ik nu maar weer doen. Want mijn vriendin had gelijk: het is voor nu de beste onderbroek, hoe saai en onsexy ook. Intussen blijf ik duimen dat de tanga terugkomt.

Pssstt… Wist je dat we ook een tijdschrift hebben? Neem een abonnement of koop een los nummer om te kijken wat je ervan vindt.

Judith Eiselin
Judith Eiselin
Judith Eiselin (51) leest sinds ze lezen kan en schrijft daarover in NRC Handelsblad. Behalve journalist is ze schrijver, vooral van kinderboeken, marktkoopvrouw en gepassioneerd paddenstoelenzoeker. Zij heeft meer dieren dan strikt noodzakelijk, vier katten, twee konijnen en een bejaard paard, en twee mooie grote dochters.

RECENTE ARTIKELEN