
Ik kan weer vijftien jaar mee
Als Juliette (56) haar baan dreigt te verliezen, wil ze het liefst onder een dekentje op de bank gaan liggen tot ze 67 wordt en legaal mag niksen. Maar dan neemt ze een ferm besluit: ze wordt geen jongbejaarde werkloze.
Eind jaren tachtig, de redactie van een vrouwenblad. We waren allemaal in de twintig. Er was één oudere redactrice: Louise. Ze was onhandig met de computer want ze was een typemachine gewend. Vroeger deden we alles anders, zei ze. Beter, bedoelde ze. Achter haar rug maakten we grappen over Louise die haar teksten het liefst in steen beitelde. We vonden haar stokoud.
Nu denk ik: ze was ongeveer zo oud als ik nu.
Op een andere redactie zat Henk. Een oudere, ervaren eindredacteur die me leerde dat ik driekwart van de bijvoeglijke naamwoorden in mijn teksten moest schrappen en altijd feiten moest checken. Hij nam me bij de hand, prees en corrigeerde en kneedde mij tot schrijver en eindredacteur: iemand die weet hoe je een goede tekst schrijft en andermans teksten kan laten glanzen, en die beginnende redacteuren en journalisten kan leren wat ik zelf heb geleerd. Zo ging het, en zo zou het blijven gaan: je leert een vak, wordt er goed in, en als je ouder wordt, leer je jongeren de kneepjes die je inmiddels moeiteloos afgaan. Er is bovendien altijd werk voor iemand met mijn skills en ervaring. Ik heb een baan bij een gerenommeerd opinieblad, ik ben alleen maar beter geworden en kan blindvaren op mijn ervaring.
Had. Was. Kon.
Want op een dag word je wakker en het blad waarvoor je werkt, dat altijd zo solide en succesvol was, maakt verlies. De lezers worden ouder en jonge mensen lezen geen papieren bladen maar social media. En er kunnen nog zoveel 50-plussers zijn (meer dan de helft van de Nederlandse bevolking is 50-plus op dit moment): twintigers, die zijn de toekomst, zeggen ze, daar moeten we ons op richten. De zenuwachtige uitgever heeft het blad laten verjongen met hippe vormgeving. De oudere lezers haken af, jongeren lezen het niet. In de wandelgangen gaan geruchten over ontslagen.
De geruchten blijken waar. Mijn baan wordt gehalveerd. Ik ben kostwinner, we redden het niet met mijn geslonken inkomen. Ik moet een andere baan. Of gaan freelancen. Ik ben 54.
Zo gaat het dus: ja, je bent heel goed en zeer ervaren. Maar nu betekent zeer ervaren gewoon bijna dood, dus die nieuwe baan, die kun je op je buik schrijven. De wereld draait steeds sneller, kennis veroudert elke week, de vaardigheden waarop ik blind dacht te kunnen varen, blijken niets meer waard. Jongere collega’s kunnen dingen die ik niet kan, of niet zo snel, want ik hoefde ze nooit te doen (iets tot trending topic twitteren, scrummen, goochelen met gifjes, moeiteloos selfies maken, contentmanagementsystemen doorgronden, pingpongen in de pauze). Dingen die ik ook wil kunnen, maar niemand legt ze me uit. Die kuikens zijn geboren met een smartphone en een selfiestick in hun knuistjes, dat haal ik nooit meer in. Ik kan wel dingen die zij niet kunnen, maar dat zijn toevallig zaken die hen niet interesseren (een samenhangende zin schrijven zonder spelfouten of een overdosis bijvoeglijke naamwoorden, factchecken). Ze schrijven onder het mompelen van de woorden: Ze snappen heus wel wat ik ongeveer bedoel. Zit ik op Facebook? Hahahahaha, ik moet op Instagram! Kan ik een social-mediabeleid uitzetten voor dit blad, dat trouwens geen blad meer heet maar een platform? Nee? En waarom twitter ik eigenlijk niet?
Nostalgie, dat is mijn eerste reactie. Was ik maar kunstenaar, denk ik, fijn een beetje schilderen in de stilte. Of kapster op het platteland. Of yogalerares in de woestijn. Een simpel bestaan zonder moderne fratsen.
En waar leef jij dan van? Hoe komen jouw klanten naar die woestijn? Je zal jezelf toch moeten verkopen, zegt een vriendin droogjes. Reclame en juichende verhalen op Insta, mooie plaatjes op Insta, je mening op Twitter, promotiepostjes op LinkedIn. (O god ja. Moeten doen alsof je alles met passie doet. Ook als je er even helemaal doorheen zit / je moeder dement wordt / je kind ontspoort / je kat op de mat kotst.)
Ik moet instagrammen ik haat instagrammen.
Ik moet netwerken ik haat netwerken.
Ik wil onder een dekentje op de bank gaan liggen en pas eronder vandaan als ik de pensioengerechtigde leeftijd heb bereikt en legaal mag niksen.
Vroeger was er geen internet en waren we heel gelukkig, wil ik krijsen. (Niet waar, trouwens. Ik zou niet weten wat ik zou moeten zonder internet.)
Instagramstories? Rot op met je Instagramstories.
Content? Wat nou content, inhoudsloze gehakttrut.
Vroeger was alles anders.
Beter.
In mijn tijd.
Louise. Ik ben een Louise geworden.
Nee! Geen Louise! Ik kijk om me heen. Op het werk zitten uitgeblustere types dan ik te dutten tot ze met pensioen mogen. Ze klagen over die leuke millennials (die überhaupt nooit een vaste baan krijgen en zich voor lullige stagevergoedinkjes te pletter moeten werken). Ik zie overal Louises, terwijl ik minimaal een Henk wil zijn. Liever zelfs een Roos, Merel, Sanne, Tim, Lou-Anna of Zwaan: twintigers en dertigers die fluitend nieuwe dingen omarmen. En wacht eens even: dat heb ik zelf toch ook altijd gedaan? Toen zij nog niet geboren waren, kon ik met mijn ogen dicht een hardeschijfloze computer opstarten met een grote floppy, en kende ik alle F-toetsen uit mijn hoofd. Ik switchte zonder met mijn ogen te knipperen van Wordperfect naar Word, van Quark naar InDesign, van floppy (je weet wel, kuikens, van dat save-symbooltje op je beeldscherm) naar Airdrop, van fax naar e-mail. Nu chill ik met mijn kuiten in de modder op festivals, ik dans en drink tot diep in de nacht, mijn kast hangt vol met korte rokjes en als ik niet zo’n leuke man had, zou ik ook nog een potje gaan tinderen. Ik ben 54, geen 94. Ik heb nog een half leven voor me. Tijd voor actie.
In de pauze blijk ik een talent voor pingpongen te hebben. Het is een begin.
Het gerucht dat ik ga freelancen, doet de ronde. De redactie van een vrouwenblad vraagt of ik kan invallen. Ik mag er doen waar ik goed in ben: teksten beter maken, spannende koppen verzinnen. De redactie van Saar belt: of ik een tijdje de website wil runnen. Alle stukjes verzamelen en redigeren, en gewoon even in WordPress zetten. Help! WordPress: is dat niet een contentmanagementsysteem? Het zweet breekt me uit. Ah joh, stelt niks voor, heb je in een middagje onder de knie, zeggen ze. En er zitten hier allemaal jonge meiden die je kunnen helpen. Verdomd, dit blijkt niet moeilijker dan mijn nog steeds kerngezonde verstand aankan. Het klinkt kinderachtig, maar het geeft me een kick. Mijn hersenen zijn nog niet aan het afsterven.
Na mijn halve ontslag krijg ik geld voor een coach. Ik ga er somber heen, maar ze vindt me kansrijk. Boor je netwerk aan, zegt ze. (Ik blijk een netwerk te hebben. Ik noem ze vriendinnen of kennissen of collega’s, maar het is dus een netwerk.) Je bent zo enthousiast en sprankelend, zegt ze. (Ze ziet me nooit chagrijnig onder mijn dekentje.) Je moet je LinkedIn-profiel optuigen. (Ik heb een kaal profiel. Ik vond LinkedIn altijd iets voor losers die na hun ontslag ineens heel actief op LinkedIn werden.) Zet al je cursussen en trainingen op een rij. (Ik heb nooit cursussen gedaan, ik heb alles onderweg geleerd. Ja, een cursus vierkantjes haken, tien jaar geleden. Ik had beter kunnen investeren in een contentmanagementcursus of zo.) Zet een lachende, professionele foto op je profiel. (Eh. Ik sta weleens per ongeluk dronken in een hoekje van een groepsfoto op een verjaardag van een vriendin die ik vervloek omdat ze ‘m op Facebook zet.) O, enne zegt de coach. Heb het nooit over je leeftijd. Maak er ook geen grapjes over. Daarmee benadruk je hoe oud je bent.
Shit. Mag dat echt niet?
Ik doe een cursus onderhandelen, en een cursus brainstormen in je eentje. Bij het vrouwenblad willen ze me misschien als vaste eindredacteur, maar ze kiezen uiteindelijk een jonge twitterkoningin die ook handig is met leuke gifjes en zo.
Somber word ik 55.
Op een dag zie ik een vacature bij een kunstblad die voor mij geschapen lijkt. Dat moet ik serieus aanpakken. Dus doe ik wat ik de hele tijd heb uitgesteld: mijn lege LinkedIn-profiel opvijzelen. Wat een werk. Het kost me dagen. Net zo lang selfies maken tot er een acceptabele foto bij zit. Prutsen aan een cv, aan een tekst die mezelf wel promoot maar niet té. Wat zeur je, dat doe jij toch in een handomdraai? zeggen man en vriendinnen. Zie je wel, jij bent niet meer geschikt voor deze wereld, zegt een stemmetje in mijn hoofd. Ik maak weer een afspraak met mijn coach, de enige bij wie ik schaamteloos onzeker mag zijn. Vooraf leest ze mijn profiel, cv en sollicitatiebrief. Wanneer ik zenuwachtig binnenkom, zegt ze: Wat is het goed geworden, wat heb jij hard gewerkt. Ik barst bijna in tranen uit. Zie je, ik ben niet gek. Solliciteren is hard werken, maar dat is moeilijk aan anderen uit te leggen.
Het loont: ik word uitgenodigd voor een gesprek. Maar ik krijg de baan niet. Een uur lig ik onder mijn dekentje. Daarna krijg ik het benauwd. Ik moet verder!
Over tien jaar is half Nederland niet meer geschikt voor zijn werk, kopt de krant. Dat is een troost (ik ben niet de enige) en een aansporing (ik wil wél geschikt blijven). Wil ik geen Louise worden, dan zal geen contentmanagementsysteem, geen platform, geen gif of blog of vlog nog geheimen voor mij mogen hebben, realiseer ik me. En aangezien ik de jongens en meiden van de webredactie niet kan blijven lastigvallen met mijn vragen, investeer ik in een training online eindredactie. De nacht voor de eerste trainingsdag slaap ik niet, zo onkundig vrees ik dat ik zal blijken. Ok, ik snap inmiddels hoe WordPress werkt. Maar voor digitale bikkels is WordPress een kleutersysteempje. Een bejaardensysteempje, eigenlijk. Ze zullen wel denken.
Nou, ze denken niks. Ja, dat ik een uitstekende online eindredacteur ben. Een week na de training belt de docente: of ik een klus kan doen waar zij geen tijd voor heeft. Een medecursiste speelt me daarna drie maanden online eindredactiewerk voor een universiteitsblad toe. Ik doe het, na een eerlijk gesprek met de hoofdredacteur over wat ik wel en niet kan, want ik wil me er niet fataal inbluffen. Hij waarschuwt me voor het complexe contentmanagementsysteem. Iedereen klaagt erover, zegt hij. Goddank, denk ik, dan mag ik dat ook. Op het nieuws hoor ik dat de werkloosheid afneemt, behalve onder 50-plussers. Maar ik ben aan het werk, het gaat goed, en de jonge redacteuren met wie ik werk, leren me van alles. Mij krijgen ze er niet onder.
Tot de baas van mijn halve-baan-opinieblad aankondigt dat hij de hele redactie zal ontslaan. Een HR-manager belt me erover terwijl ik bij het universiteitsblad zit. Ik ben 56 en er is geen dekentje en geen bank voorhanden.
Ik kan niet meevergaderen, ik moet werken, mail ik naar mijn collega’s, die sombere bijeenkomsten houden over hun aanstaande ontslag. Ik heb een voorsprong: ik heb het druk. Schrijf een stuk voor Saar, werk mijn LinkedIn-profiel bij, drink koffie met netwerkcontacten. Tijdens de masterclass De Digitale Denkweg leer ik alles over data-analyse, podcasts, insta-stories en online journalistiek zelfs, op mijn knikkende knietjes, vloggen met mijn telefoon. Alle deelnemers zijn jonger dan ik. Als zo’n meisje vraagt: Met welke tool vergroten jullie je instagrambereik? knipper ik niet met mijn ogen. Ik ben hier om te leren. Vooruit wil ik, niet treuren om wat ik verlies.
De meeste energie kost weerstand tegen nieuwe dingen, weet ik nu. De wereld verandert op een andere manier dan ik dacht. Ik ben geen Henk die jonge redacteuren wel even leert hoe het moet (al zeg ik toch zachtjes dat ze moeten factchecken en schrap ik hun bijvoeglijke naamwoorden en spelfouten). Integendeel: door de kennis van Roos, Merel, Sanne, Tim, Lou-Anna of Zwaan kan ik er voorlopig weer tegenaan, met een koffer vol moed en vaardigheden.
O ja, ik word af en toe doodmoe van dat ge-leer en ge-ontwikkel. Ik denk weleens: ik zou dit leuk moeten vinden, een uitdaging, maar ik ben wel genoeg uitgedaagd in mijn leven, mag ik nu een beetje rust alsjeblieft? Doodsbenauwd ben ik soms. Voor de toekomst, voor ouder worden, voor eruit liggen. En ik ben echt geen geboren ondernemer. Maar ik weiger een stervende jongbejaarde werkloze te worden. Ik blijf strijden tegen werkgevers die denken dat vijftigers digibete halve lijken zijn. En tegen de Louise in mijzelf al begrijp ik haar nu zoveel beter dan toen.

Ik kan weer vijftien jaar mee
Als Juliette (56) haar baan dreigt te verliezen, wil ze het liefst onder een dekentje op de bank gaan liggen tot ze 67 wordt en legaal mag niksen. Maar dan neemt ze een ferm besluit: ze wordt geen jongbejaarde werkloze.
Eind jaren tachtig, de redactie van een vrouwenblad. We waren allemaal in de twintig. Er was één oudere redactrice: Louise. Ze was onhandig met de computer want ze was een typemachine gewend. Vroeger deden we alles anders, zei ze. Beter, bedoelde ze. Achter haar rug maakten we grappen over Louise die haar teksten het liefst in steen beitelde. We vonden haar stokoud.
Nu denk ik: ze was ongeveer zo oud als ik nu.
Op een andere redactie zat Henk. Een oudere, ervaren eindredacteur die me leerde dat ik driekwart van de bijvoeglijke naamwoorden in mijn teksten moest schrappen en altijd feiten moest checken. Hij nam me bij de hand, prees en corrigeerde en kneedde mij tot schrijver en eindredacteur: iemand die weet hoe je een goede tekst schrijft en andermans teksten kan laten glanzen, en die beginnende redacteuren en journalisten kan leren wat ik zelf heb geleerd. Zo ging het, en zo zou het blijven gaan: je leert een vak, wordt er goed in, en als je ouder wordt, leer je jongeren de kneepjes die je inmiddels moeiteloos afgaan. Er is bovendien altijd werk voor iemand met mijn skills en ervaring. Ik heb een baan bij een gerenommeerd opinieblad, ik ben alleen maar beter geworden en kan blindvaren op mijn ervaring.
Had. Was. Kon.
Want op een dag word je wakker en het blad waarvoor je werkt, dat altijd zo solide en succesvol was, maakt verlies. De lezers worden ouder en jonge mensen lezen geen papieren bladen maar social media. En er kunnen nog zoveel 50-plussers zijn (meer dan de helft van de Nederlandse bevolking is 50-plus op dit moment): twintigers, die zijn de toekomst, zeggen ze, daar moeten we ons op richten. De zenuwachtige uitgever heeft het blad laten verjongen met hippe vormgeving. De oudere lezers haken af, jongeren lezen het niet. In de wandelgangen gaan geruchten over ontslagen.
De geruchten blijken waar. Mijn baan wordt gehalveerd. Ik ben kostwinner, we redden het niet met mijn geslonken inkomen. Ik moet een andere baan. Of gaan freelancen. Ik ben 54.
Zo gaat het dus: ja, je bent heel goed en zeer ervaren. Maar nu betekent zeer ervaren gewoon bijna dood, dus die nieuwe baan, die kun je op je buik schrijven. De wereld draait steeds sneller, kennis veroudert elke week, de vaardigheden waarop ik blind dacht te kunnen varen, blijken niets meer waard. Jongere collega’s kunnen dingen die ik niet kan, of niet zo snel, want ik hoefde ze nooit te doen (iets tot trending topic twitteren, scrummen, goochelen met gifjes, moeiteloos selfies maken, contentmanagementsystemen doorgronden, pingpongen in de pauze). Dingen die ik ook wil kunnen, maar niemand legt ze me uit. Die kuikens zijn geboren met een smartphone en een selfiestick in hun knuistjes, dat haal ik nooit meer in. Ik kan wel dingen die zij niet kunnen, maar dat zijn toevallig zaken die hen niet interesseren (een samenhangende zin schrijven zonder spelfouten of een overdosis bijvoeglijke naamwoorden, factchecken). Ze schrijven onder het mompelen van de woorden: Ze snappen heus wel wat ik ongeveer bedoel. Zit ik op Facebook? Hahahahaha, ik moet op Instagram! Kan ik een social-mediabeleid uitzetten voor dit blad, dat trouwens geen blad meer heet maar een platform? Nee? En waarom twitter ik eigenlijk niet?
Nostalgie, dat is mijn eerste reactie. Was ik maar kunstenaar, denk ik, fijn een beetje schilderen in de stilte. Of kapster op het platteland. Of yogalerares in de woestijn. Een simpel bestaan zonder moderne fratsen.
En waar leef jij dan van? Hoe komen jouw klanten naar die woestijn? Je zal jezelf toch moeten verkopen, zegt een vriendin droogjes. Reclame en juichende verhalen op Insta, mooie plaatjes op Insta, je mening op Twitter, promotiepostjes op LinkedIn. (O god ja. Moeten doen alsof je alles met passie doet. Ook als je er even helemaal doorheen zit / je moeder dement wordt / je kind ontspoort / je kat op de mat kotst.)
Ik moet instagrammen ik haat instagrammen.
Ik moet netwerken ik haat netwerken.
Ik wil onder een dekentje op de bank gaan liggen en pas eronder vandaan als ik de pensioengerechtigde leeftijd heb bereikt en legaal mag niksen.
Vroeger was er geen internet en waren we heel gelukkig, wil ik krijsen. (Niet waar, trouwens. Ik zou niet weten wat ik zou moeten zonder internet.)
Instagramstories? Rot op met je Instagramstories.
Content? Wat nou content, inhoudsloze gehakttrut.
Vroeger was alles anders.
Beter.
In mijn tijd.
Louise. Ik ben een Louise geworden.
Nee! Geen Louise! Ik kijk om me heen. Op het werk zitten uitgeblustere types dan ik te dutten tot ze met pensioen mogen. Ze klagen over die leuke millennials (die überhaupt nooit een vaste baan krijgen en zich voor lullige stagevergoedinkjes te pletter moeten werken). Ik zie overal Louises, terwijl ik minimaal een Henk wil zijn. Liever zelfs een Roos, Merel, Sanne, Tim, Lou-Anna of Zwaan: twintigers en dertigers die fluitend nieuwe dingen omarmen. En wacht eens even: dat heb ik zelf toch ook altijd gedaan? Toen zij nog niet geboren waren, kon ik met mijn ogen dicht een hardeschijfloze computer opstarten met een grote floppy, en kende ik alle F-toetsen uit mijn hoofd. Ik switchte zonder met mijn ogen te knipperen van Wordperfect naar Word, van Quark naar InDesign, van floppy (je weet wel, kuikens, van dat save-symbooltje op je beeldscherm) naar Airdrop, van fax naar e-mail. Nu chill ik met mijn kuiten in de modder op festivals, ik dans en drink tot diep in de nacht, mijn kast hangt vol met korte rokjes en als ik niet zo’n leuke man had, zou ik ook nog een potje gaan tinderen. Ik ben 54, geen 94. Ik heb nog een half leven voor me. Tijd voor actie.
In de pauze blijk ik een talent voor pingpongen te hebben. Het is een begin.
Het gerucht dat ik ga freelancen, doet de ronde. De redactie van een vrouwenblad vraagt of ik kan invallen. Ik mag er doen waar ik goed in ben: teksten beter maken, spannende koppen verzinnen. De redactie van Saar belt: of ik een tijdje de website wil runnen. Alle stukjes verzamelen en redigeren, en gewoon even in WordPress zetten. Help! WordPress: is dat niet een contentmanagementsysteem? Het zweet breekt me uit. Ah joh, stelt niks voor, heb je in een middagje onder de knie, zeggen ze. En er zitten hier allemaal jonge meiden die je kunnen helpen. Verdomd, dit blijkt niet moeilijker dan mijn nog steeds kerngezonde verstand aankan. Het klinkt kinderachtig, maar het geeft me een kick. Mijn hersenen zijn nog niet aan het afsterven.
Na mijn halve ontslag krijg ik geld voor een coach. Ik ga er somber heen, maar ze vindt me kansrijk. Boor je netwerk aan, zegt ze. (Ik blijk een netwerk te hebben. Ik noem ze vriendinnen of kennissen of collega’s, maar het is dus een netwerk.) Je bent zo enthousiast en sprankelend, zegt ze. (Ze ziet me nooit chagrijnig onder mijn dekentje.) Je moet je LinkedIn-profiel optuigen. (Ik heb een kaal profiel. Ik vond LinkedIn altijd iets voor losers die na hun ontslag ineens heel actief op LinkedIn werden.) Zet al je cursussen en trainingen op een rij. (Ik heb nooit cursussen gedaan, ik heb alles onderweg geleerd. Ja, een cursus vierkantjes haken, tien jaar geleden. Ik had beter kunnen investeren in een contentmanagementcursus of zo.) Zet een lachende, professionele foto op je profiel. (Eh. Ik sta weleens per ongeluk dronken in een hoekje van een groepsfoto op een verjaardag van een vriendin die ik vervloek omdat ze ‘m op Facebook zet.) O, enne zegt de coach. Heb het nooit over je leeftijd. Maak er ook geen grapjes over. Daarmee benadruk je hoe oud je bent.
Shit. Mag dat echt niet?
Ik doe een cursus onderhandelen, en een cursus brainstormen in je eentje. Bij het vrouwenblad willen ze me misschien als vaste eindredacteur, maar ze kiezen uiteindelijk een jonge twitterkoningin die ook handig is met leuke gifjes en zo.
Somber word ik 55.
Op een dag zie ik een vacature bij een kunstblad die voor mij geschapen lijkt. Dat moet ik serieus aanpakken. Dus doe ik wat ik de hele tijd heb uitgesteld: mijn lege LinkedIn-profiel opvijzelen. Wat een werk. Het kost me dagen. Net zo lang selfies maken tot er een acceptabele foto bij zit. Prutsen aan een cv, aan een tekst die mezelf wel promoot maar niet té. Wat zeur je, dat doe jij toch in een handomdraai? zeggen man en vriendinnen. Zie je wel, jij bent niet meer geschikt voor deze wereld, zegt een stemmetje in mijn hoofd. Ik maak weer een afspraak met mijn coach, de enige bij wie ik schaamteloos onzeker mag zijn. Vooraf leest ze mijn profiel, cv en sollicitatiebrief. Wanneer ik zenuwachtig binnenkom, zegt ze: Wat is het goed geworden, wat heb jij hard gewerkt. Ik barst bijna in tranen uit. Zie je, ik ben niet gek. Solliciteren is hard werken, maar dat is moeilijk aan anderen uit te leggen.
Het loont: ik word uitgenodigd voor een gesprek. Maar ik krijg de baan niet. Een uur lig ik onder mijn dekentje. Daarna krijg ik het benauwd. Ik moet verder!
Over tien jaar is half Nederland niet meer geschikt voor zijn werk, kopt de krant. Dat is een troost (ik ben niet de enige) en een aansporing (ik wil wél geschikt blijven). Wil ik geen Louise worden, dan zal geen contentmanagementsysteem, geen platform, geen gif of blog of vlog nog geheimen voor mij mogen hebben, realiseer ik me. En aangezien ik de jongens en meiden van de webredactie niet kan blijven lastigvallen met mijn vragen, investeer ik in een training online eindredactie. De nacht voor de eerste trainingsdag slaap ik niet, zo onkundig vrees ik dat ik zal blijken. Ok, ik snap inmiddels hoe WordPress werkt. Maar voor digitale bikkels is WordPress een kleutersysteempje. Een bejaardensysteempje, eigenlijk. Ze zullen wel denken.
Nou, ze denken niks. Ja, dat ik een uitstekende online eindredacteur ben. Een week na de training belt de docente: of ik een klus kan doen waar zij geen tijd voor heeft. Een medecursiste speelt me daarna drie maanden online eindredactiewerk voor een universiteitsblad toe. Ik doe het, na een eerlijk gesprek met de hoofdredacteur over wat ik wel en niet kan, want ik wil me er niet fataal inbluffen. Hij waarschuwt me voor het complexe contentmanagementsysteem. Iedereen klaagt erover, zegt hij. Goddank, denk ik, dan mag ik dat ook. Op het nieuws hoor ik dat de werkloosheid afneemt, behalve onder 50-plussers. Maar ik ben aan het werk, het gaat goed, en de jonge redacteuren met wie ik werk, leren me van alles. Mij krijgen ze er niet onder.
Tot de baas van mijn halve-baan-opinieblad aankondigt dat hij de hele redactie zal ontslaan. Een HR-manager belt me erover terwijl ik bij het universiteitsblad zit. Ik ben 56 en er is geen dekentje en geen bank voorhanden.
Ik kan niet meevergaderen, ik moet werken, mail ik naar mijn collega’s, die sombere bijeenkomsten houden over hun aanstaande ontslag. Ik heb een voorsprong: ik heb het druk. Schrijf een stuk voor Saar, werk mijn LinkedIn-profiel bij, drink koffie met netwerkcontacten. Tijdens de masterclass De Digitale Denkweg leer ik alles over data-analyse, podcasts, insta-stories en online journalistiek zelfs, op mijn knikkende knietjes, vloggen met mijn telefoon. Alle deelnemers zijn jonger dan ik. Als zo’n meisje vraagt: Met welke tool vergroten jullie je instagrambereik? knipper ik niet met mijn ogen. Ik ben hier om te leren. Vooruit wil ik, niet treuren om wat ik verlies.
De meeste energie kost weerstand tegen nieuwe dingen, weet ik nu. De wereld verandert op een andere manier dan ik dacht. Ik ben geen Henk die jonge redacteuren wel even leert hoe het moet (al zeg ik toch zachtjes dat ze moeten factchecken en schrap ik hun bijvoeglijke naamwoorden en spelfouten). Integendeel: door de kennis van Roos, Merel, Sanne, Tim, Lou-Anna of Zwaan kan ik er voorlopig weer tegenaan, met een koffer vol moed en vaardigheden.
O ja, ik word af en toe doodmoe van dat ge-leer en ge-ontwikkel. Ik denk weleens: ik zou dit leuk moeten vinden, een uitdaging, maar ik ben wel genoeg uitgedaagd in mijn leven, mag ik nu een beetje rust alsjeblieft? Doodsbenauwd ben ik soms. Voor de toekomst, voor ouder worden, voor eruit liggen. En ik ben echt geen geboren ondernemer. Maar ik weiger een stervende jongbejaarde werkloze te worden. Ik blijf strijden tegen werkgevers die denken dat vijftigers digibete halve lijken zijn. En tegen de Louise in mijzelf al begrijp ik haar nu zoveel beter dan toen.




