
‘Ik ben een feminist. Totdat de auto het begeeft’
Wikke is een feminist, maar haar auto heeft daar totaal geen boodschap aan. Zodra er iets begint te rammelen onder de motorkap, verandert haar zelfverzekerde onafhankelijkheid in pure paniek. En daarnaast vindt ze het ook geen enkel probleem als de leuke mannen van de Wegenwacht even langs moeten komen…
Ik ben een feminist. Dat is me letterlijk met de paplepel ingegoten: mijn moeder verbouwde het huis, rookte zware shag en raadde me af mijn benen te scheren, terwijl mijn vader kookte, de familievakanties regelde en mijn liefdesverdriet opving. ‘Vrouwen kunnen álles wat mannen kunnen, als het niet méér is’, declameerde mijn moeder, waarna ze het boek De Ontembare Vrouw op mijn nachtkastje legde.
Het werkte. Ik bén een onafhankelijke vrouw. Ik kan koken en boren (al gaat de laatste schroef altijd scheef), behangen en wassen, en ik begrijp de meterkast (gewoon met geweld de aardlekschakelaar terugduwen). Ik heb een inkomen, een huis en een auto.
Maar ja. Die auto.
Dat ding is dus mijn feministische achilleshiel.
Omdat ik niet rijk ben en ook niet bepaald kredietwaardig, rijd ik al mijn hele leven in tweedehands rammelkarren met een eigen persoonlijkheid. Ik geef ze namen — altijd vrouwennamen. Zo had ik Bep: een onooglijke, donkerblauwe stationwagen met trekhaak. Niet mooi, wel betrouwbaar. Tot ze op een dag besloot dat achteruitrijden haar enige levensdoel was. Daarna kwam Priscilla. Priscilla was groen, luidruchtig en met haar dikke kont een tikkeltje ordinair, maar ze trok als een malle op. Ze liet jonge jongens bij het stoplicht huilend achter — wat ik persoonlijk een feministische daad vond.
Met deze stoet van tweedehands dames heb ik heel wat te stellen gehad. De ene keer zakte er een as door, dan deed de stuurbekrachtiging het niet meer en reed ik alleen nog maar rechtdoor. Weer een andere keer besloot de dynamo midden op de A2 te overlijden, waardoor ik mijn auto nog nét tegen de vangrail kon parkeren. De deur ging niet meer open, dus moest ik via het raam naar buiten klimmen – in kokerrok en naaldhakken – als een soort Temu-versie van James Bond in volstrekte paniek.
Ik wéét best hoe een motorkap open moet. Ik kan de distributieriem aanwijzen (en ik weet dat het héél slecht nieuws is als die breekt). Ik weet waar de koelvloeistof en olie bijgevuld moeten worden. En ik kan zelfs een zekering vervangen.
Maar zodra er écht iets misgaat, verdwijnt die kennis acuut. (Ongeveer zoals mijn ex verdween toen ik vroeg of dit het moment was om exclusief te worden.)
Er overvalt me dan een onmiddellijke, aan doodsangst grenzende wanhoop, waarbij ik de behoefte krijg om me hulpeloos op de grond te laten vallen tot iemand me komt redden. En die iemand is dan bij voorkeur een man.
Op zo’n moment ben ik geen feminist meer, maar een damsel in distress.
Help mij. Red mij. Laat de cavalerie uitrukken.
En die cavalerie komt gelukkig altijd — in de gedaante van de mannen van de ANWB Wegenwacht.
Onweerstaanbaar, vind ik ze, die mannen. Ze ruiken naar olie, regen en redding. Met handen die weten wat ze doen, en een zelfverzekerde kalmte die maakt dat ik spontaan mijn sleutels én mijn feministische principes aan ze wil overhandigen. Ik verander stante pede in een hulpeloos kirrend wezen, laat me met liefde alles mainsplainen, en ben hun grootste cheerleader.
‘Ah ja, de dynamo, tuurlijk, stuk, wat onhandig, zeg. En wat moet ik nu doen, beste Marco of Hans? Zou jij het misschien voor me kunnen fixen?’
Of: ‘O, had ik de ólie moeten bijvullen? Jeetje Willem, wat dom van mij dat ik dat niet wist. Maar ja, ik heb ook geen man hè. Of in elk geval geen man die slim is als jij.’
En: ‘Nou moe, ik heb dus gewoon een reserveband in mijn auto liggen. Dat wist ik niet eens! Wat fijn dat jij er bent, René van de ANWB, om me dat te vertellen. En wat ont-zéttend lief dat je die er ook even op wilt leggen voor mij. In de stromende regen nog wel! Terwijl ik lekker droog in de auto mag blijven zitten. Wat zal je vrouw blij zijn met zo’n man als jij.’
Op zulke momenten zie ik het nut van mannen. Niet van zomaar mannen, maar van ter zake kúndige mannen. En niet alleen het nut — ook het onweerstaanbare romantische potentieel.
In de capabele handen van de mannen van de ANWB smelt ik van een zelfstandige vrouw in een grootogig Disney-prinsesje. Ik wil het liefst ter plekke trouwen met zo’n man. Naar het altaar gereden worden in het busje van de Wegenwacht, waar René, Hans of Marco klaarstaat om me voor de rest van mijn leven te beschermen tegen elk autotechnisch onheil.
Tot de dood ons scheidt.
Of in elk geval: tot mijn auto weer rijdt.
Mijn moeder zou met haar ogen rollen, nog een peuk opsteken en de waterpomptang pakken.
Tekst: Wikke Peters

‘Ik ben een feminist. Totdat de auto het begeeft’
Wikke is een feminist, maar haar auto heeft daar totaal geen boodschap aan. Zodra er iets begint te rammelen onder de motorkap, verandert haar zelfverzekerde onafhankelijkheid in pure paniek. En daarnaast vindt ze het ook geen enkel probleem als de leuke mannen van de Wegenwacht even langs moeten komen…
Ik ben een feminist. Dat is me letterlijk met de paplepel ingegoten: mijn moeder verbouwde het huis, rookte zware shag en raadde me af mijn benen te scheren, terwijl mijn vader kookte, de familievakanties regelde en mijn liefdesverdriet opving. ‘Vrouwen kunnen álles wat mannen kunnen, als het niet méér is’, declameerde mijn moeder, waarna ze het boek De Ontembare Vrouw op mijn nachtkastje legde.
Het werkte. Ik bén een onafhankelijke vrouw. Ik kan koken en boren (al gaat de laatste schroef altijd scheef), behangen en wassen, en ik begrijp de meterkast (gewoon met geweld de aardlekschakelaar terugduwen). Ik heb een inkomen, een huis en een auto.
Maar ja. Die auto.
Dat ding is dus mijn feministische achilleshiel.
Omdat ik niet rijk ben en ook niet bepaald kredietwaardig, rijd ik al mijn hele leven in tweedehands rammelkarren met een eigen persoonlijkheid. Ik geef ze namen — altijd vrouwennamen. Zo had ik Bep: een onooglijke, donkerblauwe stationwagen met trekhaak. Niet mooi, wel betrouwbaar. Tot ze op een dag besloot dat achteruitrijden haar enige levensdoel was. Daarna kwam Priscilla. Priscilla was groen, luidruchtig en met haar dikke kont een tikkeltje ordinair, maar ze trok als een malle op. Ze liet jonge jongens bij het stoplicht huilend achter — wat ik persoonlijk een feministische daad vond.
Met deze stoet van tweedehands dames heb ik heel wat te stellen gehad. De ene keer zakte er een as door, dan deed de stuurbekrachtiging het niet meer en reed ik alleen nog maar rechtdoor. Weer een andere keer besloot de dynamo midden op de A2 te overlijden, waardoor ik mijn auto nog nét tegen de vangrail kon parkeren. De deur ging niet meer open, dus moest ik via het raam naar buiten klimmen – in kokerrok en naaldhakken – als een soort Temu-versie van James Bond in volstrekte paniek.
Ik wéét best hoe een motorkap open moet. Ik kan de distributieriem aanwijzen (en ik weet dat het héél slecht nieuws is als die breekt). Ik weet waar de koelvloeistof en olie bijgevuld moeten worden. En ik kan zelfs een zekering vervangen.
Maar zodra er écht iets misgaat, verdwijnt die kennis acuut. (Ongeveer zoals mijn ex verdween toen ik vroeg of dit het moment was om exclusief te worden.)
Er overvalt me dan een onmiddellijke, aan doodsangst grenzende wanhoop, waarbij ik de behoefte krijg om me hulpeloos op de grond te laten vallen tot iemand me komt redden. En die iemand is dan bij voorkeur een man.
Op zo’n moment ben ik geen feminist meer, maar een damsel in distress.
Help mij. Red mij. Laat de cavalerie uitrukken.
En die cavalerie komt gelukkig altijd — in de gedaante van de mannen van de ANWB Wegenwacht.
Onweerstaanbaar, vind ik ze, die mannen. Ze ruiken naar olie, regen en redding. Met handen die weten wat ze doen, en een zelfverzekerde kalmte die maakt dat ik spontaan mijn sleutels én mijn feministische principes aan ze wil overhandigen. Ik verander stante pede in een hulpeloos kirrend wezen, laat me met liefde alles mainsplainen, en ben hun grootste cheerleader.
‘Ah ja, de dynamo, tuurlijk, stuk, wat onhandig, zeg. En wat moet ik nu doen, beste Marco of Hans? Zou jij het misschien voor me kunnen fixen?’
Of: ‘O, had ik de ólie moeten bijvullen? Jeetje Willem, wat dom van mij dat ik dat niet wist. Maar ja, ik heb ook geen man hè. Of in elk geval geen man die slim is als jij.’
En: ‘Nou moe, ik heb dus gewoon een reserveband in mijn auto liggen. Dat wist ik niet eens! Wat fijn dat jij er bent, René van de ANWB, om me dat te vertellen. En wat ont-zéttend lief dat je die er ook even op wilt leggen voor mij. In de stromende regen nog wel! Terwijl ik lekker droog in de auto mag blijven zitten. Wat zal je vrouw blij zijn met zo’n man als jij.’
Op zulke momenten zie ik het nut van mannen. Niet van zomaar mannen, maar van ter zake kúndige mannen. En niet alleen het nut — ook het onweerstaanbare romantische potentieel.
In de capabele handen van de mannen van de ANWB smelt ik van een zelfstandige vrouw in een grootogig Disney-prinsesje. Ik wil het liefst ter plekke trouwen met zo’n man. Naar het altaar gereden worden in het busje van de Wegenwacht, waar René, Hans of Marco klaarstaat om me voor de rest van mijn leven te beschermen tegen elk autotechnisch onheil.
Tot de dood ons scheidt.
Of in elk geval: tot mijn auto weer rijdt.
Mijn moeder zou met haar ogen rollen, nog een peuk opsteken en de waterpomptang pakken.
Tekst: Wikke Peters



