| Mode & Uit| 22 november 2025|

De waarheid over winkelen: niks past, alleen schoenen

Wikke heeft op zijn zachtst gezegd een HEKEL aan winkelen. Het is volgens haar een grote illusie. Het idee lijkt leuk, maar eenmaal van start…

Er bestaat een hardnekkige mythe dat vrouwen van winkelen houden. Alsof we spontaan in extase raken van tl-licht, synthetische jurken en pashokjes waar de luchtvochtigheid hoger is dan in een Turks stoombad. Onzin. De meeste vrouwen houden niet van winkelen. Ze houden van de illusie van winkelen: dat er ergens, diep verscholen tussen de rekken polyester ellende, een jurkje hangt waarin je buik, bovenarmen, love handles, kalkoennek en zelfhaat allemaal op magische wijze verdwijnen.

Die illusie houdt ons overeind. Tot we daadwerkelijk iets aantrekken. Want tenzij je eruitziet als Cindy Crawford in 1992, is winkelen gewoon de snelste route naar je volgende traumatherapeut. Leuk, die ‘aparte’ outfit op de paspop, maar zodra je al je ledematen erin wringt zie je eruit als een boze, vormeloze tulp met overgangsklachten. Of, als je de huidige trend in beige volgt, als een bleke lepra patiënt met een burn-out. Of, als je uitgedijde borsten nergens in passen, als een goedkope en verouderde versie van Dolly Parton – wat op zichzelf best een knappe prestatie is.

Passpiegels zijn genadeloos. Elk rolletje, elk rimpeltje – dat bij mannen dan karakteristiek heet en bij vrouwen gewoon oud- wordt boosaardig uitgelicht door het soort verlichting dat zelfs een röntgenapparaat bescheiden zou noemen. Helemáál bruut is de extra achterkantspiegel, waarin je ook kunt zien hoe je rugvet zich gedraagt onder een topje. Ik wil dan altijd meteen op een crashdieet. En naar de kapper. En het land ontvluchten.

Het toppunt van vernedering is een pashokje zonder spiegel. Waarbij je verplicht bent naar buiten te stappen om publiekelijk te tonen hoe je vetrollen zich staande houden in het jurkje dat op de hanger zo leuk leek: het loopplankmoment van de mode-hel. Met de hete adem van een verkoopster in je nek, die je bezweert dat je er niet als een ingesnoerde worst uitziet. Maar nee, juist bééldig, en de kleur gaat zo goed bij je haar (‘die kleur staat je goed’ is een vrouweneufemisme voor: het wordt nooit meer echt wat, maar red wat er te redden valt door een kleur die de aandacht afleidt).

‘En anders’, zegt zo’n verkoopster, ‘probeer je toch gewoon een push up beha of corrigerend ondergoed er onder?’
Dat zijn de momenten dat ik het jammer vind dat er geen Kalasjnikov in mijn handtas past.

Elke keer weer ga je na het shoppen een illusie armer naar huis. Blut – want je hebt tóch maar die iets te strakke veel te dure jurk gekocht omdat je geen nee durfde te zeggen tegen de verkoopster. Al wist je direct toen je je pinpas bewusteloos sloeg, dat je de jurk over drie jaar verfrommeld achter in je kledingkast terug zou vinden. Met het prijskaartje er nog aan.  En uiteindelijk doe je, ondanks je vele winkelavonturen, naar elk feestje steeds weer dezelfde, oude vertrouwde jurk aan. Waardoor je onder vrienden en vage kennissen niet langer bekend staat als een stijlicoon, maar als Die vrouw met Die jurk.

Er is één uitzondering op de terugkerende deceptie van het winkelen: schoenen. Schoenen zijn anders. Schoenen kennen empathie. Je maat verandert nooit en ze zien er aan je voeten niet wezenlijk anders uit dan in de doos. Schoenen geven troost, stijl, en ze discrimineren niet.
Een goed paar hakken is als een psycholoog met glitters: ze geven je meteen een beter gevoel over jezelf. Je loopt rechter, voelt je aantrekkelijker, en zelfs al stort je na drie glazen wijn om, je deed het tenminste stijlvol.
Hakken zijn voor mij geen mode, maar therapie. Mijn hoogste hakken draag ik naar zitfeestjes (wel jammer als je dan alsnog 500 meter verderop moet parkeren), iets lagere hakken bij presentaties waar ik wil uitstralen dat ik competent ben maar niet saai, en sneakers — oké, soms sneakers — als ik moet doen alsof ik een ‘nuchtere vrouw in balans’ ben.

Mannen denken vaak dat we schoenen kopen om hen te behagen. Fout. We kopen schoenen omdat ze het enige kledingstuk zijn dat ons niet teleurstelt. Schoenen geven troost, elegantie en een gevoel van controle in een wereld waar zelfs een spijkerbroek zich tegen je kan keren. Schoenen zeggen niet: “Met shapewear eronder valt het vast beter.” Schoenen zeggen: “Kijk naar jou. Je hebt het leven niet onder controle, maar je enkels zien er verdomd goed uit.”

Nee, ik houd niet van winkelen. Ik háát winkelen.
Maar schoenen?
Schoenen zijn de trouwste liefdes van mijn leven.
Ze passen altijd. Ze laten me beter voelen dan ik ben.
En ze liegen nooit.

Tekst: Wikke Peters

| 22 november 2025| Mode & Uit|

De waarheid over winkelen: niks past, alleen schoenen

Wikke heeft op zijn zachtst gezegd een HEKEL aan winkelen. Het is volgens haar een grote illusie. Het idee lijkt leuk, maar eenmaal van start…

Er bestaat een hardnekkige mythe dat vrouwen van winkelen houden. Alsof we spontaan in extase raken van tl-licht, synthetische jurken en pashokjes waar de luchtvochtigheid hoger is dan in een Turks stoombad. Onzin. De meeste vrouwen houden niet van winkelen. Ze houden van de illusie van winkelen: dat er ergens, diep verscholen tussen de rekken polyester ellende, een jurkje hangt waarin je buik, bovenarmen, love handles, kalkoennek en zelfhaat allemaal op magische wijze verdwijnen.

Die illusie houdt ons overeind. Tot we daadwerkelijk iets aantrekken. Want tenzij je eruitziet als Cindy Crawford in 1992, is winkelen gewoon de snelste route naar je volgende traumatherapeut. Leuk, die ‘aparte’ outfit op de paspop, maar zodra je al je ledematen erin wringt zie je eruit als een boze, vormeloze tulp met overgangsklachten. Of, als je de huidige trend in beige volgt, als een bleke lepra patiënt met een burn-out. Of, als je uitgedijde borsten nergens in passen, als een goedkope en verouderde versie van Dolly Parton – wat op zichzelf best een knappe prestatie is.

Passpiegels zijn genadeloos. Elk rolletje, elk rimpeltje – dat bij mannen dan karakteristiek heet en bij vrouwen gewoon oud- wordt boosaardig uitgelicht door het soort verlichting dat zelfs een röntgenapparaat bescheiden zou noemen. Helemáál bruut is de extra achterkantspiegel, waarin je ook kunt zien hoe je rugvet zich gedraagt onder een topje. Ik wil dan altijd meteen op een crashdieet. En naar de kapper. En het land ontvluchten.

Het toppunt van vernedering is een pashokje zonder spiegel. Waarbij je verplicht bent naar buiten te stappen om publiekelijk te tonen hoe je vetrollen zich staande houden in het jurkje dat op de hanger zo leuk leek: het loopplankmoment van de mode-hel. Met de hete adem van een verkoopster in je nek, die je bezweert dat je er niet als een ingesnoerde worst uitziet. Maar nee, juist bééldig, en de kleur gaat zo goed bij je haar (‘die kleur staat je goed’ is een vrouweneufemisme voor: het wordt nooit meer echt wat, maar red wat er te redden valt door een kleur die de aandacht afleidt).

‘En anders’, zegt zo’n verkoopster, ‘probeer je toch gewoon een push up beha of corrigerend ondergoed er onder?’
Dat zijn de momenten dat ik het jammer vind dat er geen Kalasjnikov in mijn handtas past.

Elke keer weer ga je na het shoppen een illusie armer naar huis. Blut – want je hebt tóch maar die iets te strakke veel te dure jurk gekocht omdat je geen nee durfde te zeggen tegen de verkoopster. Al wist je direct toen je je pinpas bewusteloos sloeg, dat je de jurk over drie jaar verfrommeld achter in je kledingkast terug zou vinden. Met het prijskaartje er nog aan.  En uiteindelijk doe je, ondanks je vele winkelavonturen, naar elk feestje steeds weer dezelfde, oude vertrouwde jurk aan. Waardoor je onder vrienden en vage kennissen niet langer bekend staat als een stijlicoon, maar als Die vrouw met Die jurk.

Er is één uitzondering op de terugkerende deceptie van het winkelen: schoenen. Schoenen zijn anders. Schoenen kennen empathie. Je maat verandert nooit en ze zien er aan je voeten niet wezenlijk anders uit dan in de doos. Schoenen geven troost, stijl, en ze discrimineren niet.
Een goed paar hakken is als een psycholoog met glitters: ze geven je meteen een beter gevoel over jezelf. Je loopt rechter, voelt je aantrekkelijker, en zelfs al stort je na drie glazen wijn om, je deed het tenminste stijlvol.
Hakken zijn voor mij geen mode, maar therapie. Mijn hoogste hakken draag ik naar zitfeestjes (wel jammer als je dan alsnog 500 meter verderop moet parkeren), iets lagere hakken bij presentaties waar ik wil uitstralen dat ik competent ben maar niet saai, en sneakers — oké, soms sneakers — als ik moet doen alsof ik een ‘nuchtere vrouw in balans’ ben.

Mannen denken vaak dat we schoenen kopen om hen te behagen. Fout. We kopen schoenen omdat ze het enige kledingstuk zijn dat ons niet teleurstelt. Schoenen geven troost, elegantie en een gevoel van controle in een wereld waar zelfs een spijkerbroek zich tegen je kan keren. Schoenen zeggen niet: “Met shapewear eronder valt het vast beter.” Schoenen zeggen: “Kijk naar jou. Je hebt het leven niet onder controle, maar je enkels zien er verdomd goed uit.”

Nee, ik houd niet van winkelen. Ik háát winkelen.
Maar schoenen?
Schoenen zijn de trouwste liefdes van mijn leven.
Ze passen altijd. Ze laten me beter voelen dan ik ben.
En ze liegen nooit.

Tekst: Wikke Peters